De gewiekste concubine van het Franse generaaltje

De mollige Creoolse Marie-Josèph-Rose de Tascher de la Pagerie bracht het tot echtgenote van keizer Napoleon. De scheiding deed beiden verdriet.

Keizerin Joséphine, geschilderd in 1806 door Henri-François Riesener (detail)
Keizerin Joséphine, geschilderd in 1806 door Henri-François Riesener (detail) Collectie Museum Malmaison bij Paris

‘Zoete en weergaloze Joséphine, wat heb je toch een wonderlijke invloed op mijn hart! Ben je boos op me? Ben je triest? Maak je je zorgen? Dan ben ik gebroken van verdriet en heb ik geen rust.’

Ze wond hem om haar vinger, deze Madame de Beauharnais, stijlicoon, societydame, voormalig gevangene en gescheiden moeder van twee kinderen. Toen de sjofele Corsicaanse militair Napoleon Bonaparte in 1795 tijdens een diner met haar in gesprek raakte en zij hem in tegenstelling tot de overige gasten vleide en complimenteerde, besloot hij subiet dat de zes jaar oudere ‘it-girl’ het object van zijn begeerte zou worden. Hij bombardeerde haar met dweepzieke brieven tot ze aarzelend instemde.

Beiden kwamen van ver. Joséphine. Verlangen, ambitie, Napoleon van de Britse historica Kate Williams opent met een mooie, kleurrijke schets van de nederige komaf van de latere keizerin van Frankrijk. Marie-Josèph-Rose de Tascher de la Pagerie, zoals haar geboortenaam luidde, bracht haar jeugd door op een suikerplantage op Martinique. Slaven deden er het zware werk; ‘Yeyette’, zoals de oudste dochter van La Pagerie genoemd werd, huppelde met haar zusje door de velden en deed zich te goed aan het zoete rietsap – ze zou er zo’n slecht gebit aan overhouden dat ze later nooit meer met open mond lachte. Yeyettes vader was een luie, gedesillusioneerde man, wiens enige gloriejaren in Frankrijk lagen: hij had drie jaar als page gediend aan het hof in Versailles, en moet zijn dochter het idee hebben gegeven dat Parijs het summum van geluk en elegantie was.

Op haar zestiende bereikte Yeyette het beloofde land, om via een familieconnectie te trouwen met Alexander de Beauharnais, een soldaat van negentien die schrok toen hij zijn ‘kleine, mollige, onhandige’ Creoolse bruid voor het eerst zag. Het huwelijk was een ramp, maar Joséphine hield er een zoon, een dochter en alimentatie aan over. Bovendien leerde ze in het klooster waar ze als verlaten vrouw tijdelijk terechtkwam, zichzelf als gracieuze, mondaine dame te presenteren door goed te kijken naar de andere, deftige kostgangsters.

Troef

In het verleidingsspel waar ze zich van nu af aan in zou bekwamen, was haar exotische herkomst opeens een troef. Zelfs in de gevangenis, waar Joséphine tijdens de Coalitieoorlogen (Frankrijk versus een coalitie van landen, 1792-1802) negen maanden onder barbaarse omstandigheden overleefde, sloot ze strategische vriendschappen. Na haar vrijlating werkte ze zich als maîtresse van oudere, invloedrijke heren steeds verder omhoog.

Napoleon was er evenzeer op gebrand om zijn nederige komaf te ontstijgen. Het stak hem dat de Parijzenaars hem ondanks zijn militaire bliksemcarrière als ‘een achterlijk generaaltje’ bleven zien en hem uitlachten om zijn Italiaanse accent en lompe manieren. Hij snakte naar een grote liefde, had er zelfs een sentimentele roman aan gewijd, en daar was Joséphine.

Toen de buit eenmaal binnen was, bleek Napoleon een botte en zakelijke levensgezel. Voor de bruiloft, een sobere bijeenkomst in het gemeentehuis, kwam hij twee uur te laat hijgend opdraven: hij zat met zijn kop bij zijn werk. Twee dagen later vertrok hij als opperbevelhebber op veldtocht naar Italië. Met dezelfde monomane drift waarmee hij zijn vrouw had ingekapseld, schopte hij het nu in korte tijd tot de machtigste man van Europa. Joséphine plukte de vruchten van het succes in aanzien en goederen, maar was niet in staat om haar voornaamste belofte als echtgenote in te lossen: ze werd niet zwanger.

Over de oorzaken laat Williams geen detail onvermeld. Door Joséphines gevangenschap en eerdere, schadelijke abortussen was haar menstruatie ontregeld, wat ze voor haar man angstvallig geheim probeerde te houden. Maar hij verloor zijn geduld, en nadat een maîtresse een zoon van hem gebaard had en hij dus wist dat het niet aan hem lag, wilde hij van Joséphine af.

De druk ging tijdelijk van de ketel toen het huwelijk in 1804 alsnog kerkelijk werd ingezegend: een prachtig staaltje diplomatie van Joséphine, die paus Pius erom smeekte niet als ‘concubine’ tot keizerin gekroond te hoeven worden. Het hielp een paar jaar. In 1809 ging de Senaat in het landsbelang akkoord met een echtscheiding, en namen Napoleon en Joséphine publiekelijk afscheid van hun stormachtige getrouwde bestaan. Het ging ze geen van beiden makkelijk af; ondanks alles waren ze innig bevriend geraakt.

Valkuil

Voor een historicus is het niet makkelijk om een ‘vrouw van’ een volwaardiger plek in de annalen te bezorgen zonder daarbij al te opzichtig een feministische agenda te hanteren. Williams omzeilt die valkuil: in een kleine vierhonderd pagina’s schetst ze een beeld van een ambitieuze, gewiekste, spilzieke, niet erg betrouwbare levensgenietster, in een stijl net zo dartel en lichtvoetig als het plantagemeisje Yeyette.

Williams ontkomt er niet aan om een heleboel militaire zeges en nederlagen, minnaars en maîtresses en andere invloeden van buitenaf op te sommen, en dan werkt haar stijl soms tegen haar en wordt het boek wat saai. De mooiste passages zijn die waarin ze pas op de plaats maakt en inzoomt – op Joséphines diepe verdriet na de scheiding bijvoorbeeld, of op de schitterende, van bijzondere planten en dieren vergeven tuin van buitenverblijf Malmaison waar ze zoveel eer inlegde. Dan wordt het boek behalve een inhaalslag ook een volwaardig psychologisch portret.