De echtgenote als stille getuige van het genie

Weer een Franse roman over een wetenschapper, nu de wiskundige Kurt Gödel. In de oorlog komen hij en zijn vrouw terecht op het Institute for Advanced Study in Princeton. Lees over genieën, liefde en wiskunde.

De wiskundige Kurt Gödel met zijn vrouw Adèle in 1938. En onder: Gödel met Albert Einstein
De wiskundige Kurt Gödel met zijn vrouw Adèle in 1938. En onder: Gödel met Albert Einstein Foto Imagno

In de zomer van 1942 verblijven de wiskundige Kurt Gödel en zijn vrouw Adèle korte tijd in een badplaats in Maine, aan de noordoostkust van de VS. Zij geniet van de verschillende tinten blauw die de hemel en de zee bij elkaar brengen. Hij ziet geen zee, maar een veld van interacties tussen golven waarvan de complexiteit hem fascineert. Terwijl zij daar, aan het strand, snakt naar menselijk contact, peinst de mathematicus over het oneindige – twee mensen ieder in hun eigen ballingschap.

Het zijn dit soort uitersten – het dagelijks leven versus de gedachtenwereld van het genie – die je in De godin van de kleine overwinningen, de debuutroman van van de Française Yannick Grannec, steeds aantreft. Is er iemand in gedachten verzonken, dan denkt hij bijvoorbeeld aan de gausscurve, ‘een grafische voorstelling van statistische gemiddelden’. Daarbij hebben de eigenschappen van de leden van een verzameling de neiging zich te verdelen volgens een klokvormige curve. De gemiddelde waarden vormen de meerderheid. De hoofdpersonen van dit boek onttrekken zich aan de verdeling van Gauss – ze leiden uitzonderlijke levens.

Vladivostok

Twee jaar voor ze in Maine aan het strand staan heeft het paar noodgedwongen Wenen verlaten: de beroemde logicus en filosoof, die een enorme invloed zou hebben op de 20ste-eeuwse wetenschap, wordt geassocieerd met verdachte Joodse onderzoekers en regelmatig fysiek bedreigd. Met de Transsiberië Express reisden ze naar Vladivostok, vanwaar ze via San Francisco in Princeton belandden.

Daar ontmoet Gödel (1906-1978) de man die zijn beste vriend zou worden, het genie Albert Einstein. Er wordt gebarbecued met Robert Oppenheimer, de vader van de atoombom, gediscussieerd met de wiskundige John von Neumann, een van de grondleggers van de informatica, terwijl de latere Nobelprijswinnaar voor natuurkunde, Wolfgang Pauli, een dutje doet in de tuin. Met verve schetst Grannec (‘geboren in de jaren tachtig’) de bevoorrechte wereld van wetenschappers die verblijven aan het Institute for Advanced Study in Princeton, een ‘keurige, vrij snobistische enclave, waar men zich wijdt aan een enkele bezigheid: denken.’

Het echtpaar Gödel is de ene rode draad in Grannecs roman: ze vertelt hoe het revuedanseresje Adèle in Wenen verliefd wordt op het genie uit een bemiddelde, van oorsprong Duitse familie. Van geheime minnares wordt ze al snel verpleegster: Gödel was dan wel geniaal, maar ook ernstig geestesziek. Freud diagnosticeerde hem als melancholicus: de wiskunde was zijn redding en zijn ondergang. Intussen komt Hitler op, Joodse wetenschappers vluchten naar de VS, geesteszieken zijn hun leven niet meer zeker.

De andere rode draad in het boek is de groeiende vriendschap tussen Gödels weduwe, Adèle, en de jonge documentaliste Anna Roth. Van het Institute for Advanced Study heeft Roth de opdracht gekregen Gödels erfenis voor Princeton te verwerven – iets waar de weduwe niets van wil weten.

Wetenschappers die in fictie geportretteerd worden met behulp van journalistieke, sociologische of biografische elementen is een trend in de recente Franstalige literatuur. In 2012 kreeg bijvoorbeeld Peste & choléra van Patrick Deville, een biografische schets over Alexander Yersin, een Franse wetenschapper uit het team van de beroemde microbioloog Pasteur en de ontdekker van de pestbacil, de Prix Femina. Jean Echenoz wijdde het derde deel van zijn biografische trilogie, Les éclairs, aan ingenieur en uitvinder Nikola Tesla en Laurent Seksik had succes met zijn boek over Edouard Einstein (zoon van).

Zieleroerselen

Grannec is stilistisch geen hoogvlieger in vergelijking met schrijvers als Deville en Echenoz. Haar boek is soepel, toegankelijk geschreven, met veel dialogen. Terwijl Deville en Echenoz emotie en psychologie mijden, geeft Grannec ons volop inzicht in de zieleroerselen van haar personages. De vrouwelijke, wel te verstaan: zij zijn de stille getuigen van het ontstaan van de onvolledigheidsstelling, van het geheim van de kernsplitsing en radioactiviteit, van onoplosbare theorema’s zoals het Godsbewijs.

Terwijl het genie, de halfgod, zich in zichzelf terugtrekt, verlangt zijn vrouw naar een kind, een fatsoenlijk huis en leest zij de krant. Die is tenminste in mensentaal geschreven. Gödel waardeerde zijn vrouw, schrijft Grannec, om haar ‘eclatante onwetendheid’: ze streek zijn overhemden, kocht zijn medicijnen en probeerde hem in zijn psychoses lepeltje voor lepeltje te voeden. Zij was zijn ‘reservebatterij’.

In haar nawoord noemt Grannec haar boek ‘een van de vele ware geschiedenissen is: een vlechtwerk van objectieve feiten en subjectieve waarschijnlijkheden’. Het cliché van het genie is waar, maar Grannec maakt het tastbaar in haar knappe debuutroman – waar je en passant steek je er de nodige wiskunde van opsteekt.