Blijf toch niet hangen in een ramprelatie

In deze verhalenbundel zwerven azijnpissers rond die met hun broeierige chagrijn voor veel onheilspellende charme zorgen. Ze zitten in schurende verhoudingen, alsof Kaan waarschuwt: blijf niet aanmodderen.

Marte Kaan
Marte Kaan Foto Marco Okhuizen

Marte Kaan (1977) belandde een aantal jaren geleden in ‘een klassieke ramprelatie’, zoals ze het zelf noemde. De zoveelste. En ze had er genoeg van. Ze nam een ferm besluit. Ze ging er niet langer over klagen en zeuren tegen haar vrienden, maar ze ging er werk van maken. Ze voerde therapeutische gesprekken, bestudeerde eigen en andermans verbroken relaties, las er romans en wetenschappelijke literatuur over en schreef een boek. In Lang leve de liefde (2010) liet ze zien wat er zoal mis kan gaan nadat twee mensen voor elkaar hebben gekozen. De een is te kritisch, de ander trekt te veel aandacht. De een heeft bindingsangst, de ander verveelt zich veel te snel. Op luchtige, geamuseerde toon en met tal van grappige anekdotes maakte Kaan duidelijk dat er in naam van liefde en vriendschap heel wat geleden wordt.

In Saboteur, haar eerste verhalenbundel, de titel zegt het al een beetje, zien we deze relationele interesse terug, maar deze keer in een vrije vorm, zonder verwijzingen naar geleerde bronnen. Het gaat in deze, wederom monter getoonzette verhalen niet alleen om liefdesrelaties, maar ook om andere verhoudingen waarin mensen het elkaar moeilijk kunnen maken: baas en ondergeschikte, therapeut en cliënt, vader en dochter, moeder en zoon, rijke mevrouw en werkster.

Was het in Lang leve de liefde al behoorlijk kommer en kwel – in Saboteur doet Kaan er nog een schepje bovenop. Het ene verhaalfiguur is nog banger, ongelukkiger, onzekerder, wantrouwiger en zelfkritischer dan het andere. ‘Hoe langer ze bestaat, hoe meer er te betreuren valt’, verzucht de vrouw in het verhaal ‘Zwaan’. Ze voelt zich het lelijke eendje dat nooit is uitgegroeid tot zwaan – in tegenstelling tot een vriendin die alles goed doet in het leven. Ze weet dat ze blij hoort te zijn met haar twee gezonde kinderen, maar ze is het niet.

Dat geldt ook voor de moeder van een Koreaanse adoptiezoon in het verhaal ‘Exit’. Ze zou tevreden moeten kunnen terugkijken op zijn afgeronde opvoeding, nu hij mag studeren aan een prestigieuze universiteit. Maar ze stelt vooral treurig vast dat hij vier was toen ze hem ophaalde en dat hij nu, ‘na nog geen twee decennia van beschimmelde gymtassen, oorontstekingen, proefwerken en regenachtige zaterdagochtenden langs […] het voetbalveld’, ver van haar vandaan woont. Ze mist haar zoon, dat is duidelijk. Maar je kunt ook zeggen dat ze hem stank voor dank verwijt en hem zijn zelfstandige leven in een ander land misgunt.

Afgunst. Dat is het venijnigste gif dat Kaan in haar verhalen injecteert. Een volwassen vrouw is jaloers op haar slimme, succesvolle vader die ook op oudere leeftijd aantrekkelijk blijft voor vrouwen. Een rijke expatvrouw is jaloers op haar huishoudster, omdat zij wél blijk geeft van enig zelfvertrouwen. Een publiciteitsmedewerkster is jaloers op haar bazin, omdat zij haar leven tot in de puntjes onder controle lijkt te hebben. ‘Haar woning was van een even ziedend makende perfectie als haar kantoor.’ Buurmans gras is altijd groener. Het geluk is alleen weggelegd voor anderen. En dan steekt al gauw het boosaardige verlangen de kop op om die anderen, die het zo goed getroffen hebben met zichzelf en de wereld, mee te trekken in het moeras.

Ik zal niet zeggen dat ik deze azijnpissers, deze saboteurs, allemaal even overtuigend vind – of dat ik hun schrille gedachtegangen stuk voor stuk kan volgen. Maar het is wel precies dit zompige wereldbeeld en dit broeierige chagrijn dat de onheilspellende charme uitmaakt van de bundel. Kaan trakteert haar lezers, tussen neus en lippen door, op een amputatie, een symbolische vadermoord, een gijzeling, een poging tot massale vergiftiging en een paar gevalletjes moord- en doodslag. De bloederige details mogen we er zelf bij verzinnen, net als de afloop.

Dit kan er gebeuren, zo pepert ze ons keer op keer in, als de mensen maar zo’n beetje blijven hangen in welke ramprelatie dan ook. Dit komt ervan als ze er geen werk van maken. Ze hadden het van zich af moeten praten. Of, misschien beter nog, van de nood een deugd moeten maken, net als Kaan. Dan levert het in ieder geval weer een mooi, spannend verhaal op.