Bacons saluut aan tragische liefde

Het drieluik In Memory of George Dyer (1971) van Francis Bacon in De Nieuwe Kerk in Amsterdam. Elk paneel is 198 × 147,5 cm.
Het drieluik In Memory of George Dyer (1971) van Francis Bacon in De Nieuwe Kerk in Amsterdam. Elk paneel is 198 × 147,5 cm. Foto Rien Zilvold

Zelf was hij niet gelovig. „We worden geboren en we gaan dood en dat is het dan”, zei Francis Bacon in 1984 in een interview. Toch zou de Britse schilder, die in 1992 op 82-jarige leeftijd overleed, er vast geen problemen mee hebben gehad dat een van zijn mooiste schilderijen nu als een altaarstuk is opgehangen in De Nieuwe Kerk in Amsterdam. Bacon schilderde vaker religieuze thema’s – kruisigingen waren zijn specialiteit. En zijn drieluik In Memory of George Dyer (1971) lijkt, met zijn gouden lijsten en zijn fikse formaat, voor deze plek gemaakt. In de gewijde ruimte van het hoogkoor, omringd door grafzerken, vormt het kunstwerk een passend in memoriam voor Bacons grote liefde en muze George Dyer.

Dyer was in 1964 met een flinke dreun het leven van Bacon binnen komen zeilen. Hij had geprobeerd in te breken in Bacons atelier in het Londense Soho, maar was door de schilder betrapt toen hij via het dakraam naar binnen tuimelde. In plaats van de politie te bellen, nodigde Bacon de goed uitziende inbreker uit in zijn bed. Tenminste, zo ging het in de film Love is the Devil die regisseur John Maybury in 1998 maakte over een van de geruchtmakendste liefdesaffaires uit de kunstgeschiedenis. Volgens anderen hadden de twee elkaar gewoon in de pub ontmoet.

Zeven jaar duurde de romance tussen de succesvolle schilder en de kruimeldief, die uit de Londense volkswijk East End kwam, regelmatig in de gevangenis had gezeten en net als Bacon een zware drinker was. In die zeven jaar was Dyer Bacons favoriete model. Zijn bleke, gespierde lichaam diende vaak als onderwerp voor schilderijen die inmiddels tot de duurste kunstwerken ter wereld horen. Vorige week nog werd bij Christie’s in Londen een portret van Dyer uit 1966 geveild voor 42 miljoen pond (51 miljoen euro). Andere portretten van Dyer bevinden zich in bekende musea als Thyssen Bornemisza in Madrid, de Tate Gallery in Londen en de Fondation Beyeler in Bazel, die ook dit drieluik uitleende.

Dyer pleegde zelfmoord in oktober 1971, aan de vooravond van Bacons grote retrospectief in het Grand Palais in Parijs, door in een hotelkamer aan de Rue des Saint-pères een overdosis pillen en alcohol tot zich te nemen. De 37-jarige Dyer had al eerdere zelfmoordpogingen ondernomen en meerdere malen van zijn verslaving proberen af te kicken. Maar terwijl Bacon druk bezig was met de voorbereiding van zijn tentoonstelling, was hij toch weer gaan drinken. Na het nieuws van de dood van zijn vriend verscheen Bacon tot veler verrassing schijnbaar onaangedaan op de opening van zijn tentoonstelling, waar hij gelouterd werd als de grootste levende Britse schilder. Maar zijn schuldgevoel zou hem zijn leven lang achtervolgen, gaf hij later toe. „Als ik er geweest was, had hij nu nog geleefd.”

In de maanden na Dyers dood schilderde Bacon drie sombere drieluiken, de zogenaamde ‘zwarte triptieken’, die tot de beste uit zijn oeuvre worden gerekend. Hoewel Bacon zelf zei dat hij de werken niet in een emotionele opwelling had geschilderd – „ik ben geen expressionist” – voel je dat er een intense tragiek schuilt achter de drie voorstellingen. Diepzwarte vlakken bieden uitzicht op duistere ruimtes, waar wellicht de dood al op de loer ligt. De schaduwen hebben veel weg van bloedplassen.

Met de zwarte triptieken reconstrueerde Bacon de locatie van de zelfmoord. Op de andere twee werken zien we Dyer in coma op de wc-pot hangen en als een homp vlees op de vloer liggen. Op het schilderij in De Nieuwe Kerk, het eerste uit de reeks, staat hij nog overeind in het trappenhuis van het hotel en draait hij met zijn gespierde arm een sleutel in een deur om. Zijn gezicht is op het middelste paneel niet te zien; hij verdwijnt in zijn eigen schaduw, alsof hij zich begeeft op de drempel tussen leven en dood. De benauwende ruimte versterkt dat gevoel alleen maar. Het hotel oogt morsig, de deur is smerig en de bordeauxrode traploper smoezelig. Bovenaan de trap bungelt een kale gloeilamp aan een snoer, als het licht aan het eind van de tunnel.

Op het linkerpaneel is Dyer in bokserstenue afgebeeld, vechtend tegen zijn demonen in een ruimte die doet denken aan een circusarena. Op het rechterpaneel loopt die vreemde gebogen wand door. Daar weerkaatst een portret van Dyer in het blad van een bijzettafeltje, als een fletse versie van de man die hij ooit was. De drie beelden lijken elkaar op te volgen: leven, dood en nagedachtenis. Daarmee is dit drieluik een voor Bacon ongewoon verhalend kunstwerk.

De gotische architectuur van De Nieuwe Kerk, met zijn gouden koorhek en zijn praalgraven, draagt bij aan het schrijnende drama van de voorstelling. Meer dan in een museum – in 2001 was ditzelfde werk nog te zien in het Haags Gemeentemuseum – krijgt het drieluik hier het karakter van een gedenkplaats. Het is haast jammer dat je er geen kaarsje bij mag branden.

„Mensen denken dat je de dood vergeet, maar dat is niet zo”, zou Bacon jaren na Dyers overlijden tegen criticus David Sylvester zeggen. „Uiteindelijk leid ik een zeer ongelukkig leven, want diegenen van wie ik echt hield zijn gestorven.”