Opinie

Slechte verliezer

Sven Kramer heeft zich als een groot kampioen gedragen, een toonbeeld van sportiviteit, hoorde en las ik overal na zijn opzienbarende nederlaag tegen Jorrit Bergsma op de 10 kilometer. Vreemd. Ik had na afloop van die race een heel andere Kramer gezien – iemand die opvallend slecht tegen zijn verlies kon en het contact met zijn overwinnaar zoveel mogelijk meed.

„Geweldige kampioen”, zei Erica Terpstra, dat lieve, maar grote kind, ’s avonds in de studio in Sotsji over Kramer, omdat die had gezegd dat hij niet goed genoeg was geweest. Tja, er was weinig reden voor Kramer om het tegenovergestelde te beweren.

„Groots dat hij na afloop meteen naar Bergsma ging om hem te feliciteren”, riep presentator Henry Schut. Stel je voor dat Kramer zijn landgenoot níét had gefeliciteerd – dat zou het gesprek van de dag zijn geweest. Ik zie de krantenkoppen al voor me: „Vernederde Kramer negeert winnaar”, Bergsma: „De druiven zijn zuur.”

Kramer liet zich vooral kennen in het live tv-interview op de baan, een kwartiertje na de race. Het deed niets af aan Bergsma, zei hij, maar hij had te veel last van kleine blessures gehad. Het kwam er al bij de eerste vraag uit, in één adem. De verslaggever reageerde verbouwereerd. Blessures, sinds wanneer had hij daar dan last van gekregen?

De laatste vijf dagen, antwoordde Kramer. Hij herinnerde er nog wel fijntjes aan dat nu het omgekeerde gebeurde van de vijf kilometer: toen had híj een fantastische tijd neergezet waar Bergsma zich kapot op reed; die Bergsma mocht zich eens wat gaan verbeelden.

Daarna begon de pijnlijke, voorlopige huldiging in het stadion. Kramer liep chagrijnig naar het podium achter zijn twee landgenoten die elkaar steeds omhelsden en uitbundig naar het publiek zwaaiden; Kramer zwaaide niet één keer. Gelaten stond hij even later op het podium, alsof het een soort executie was.

Geen misverstand: ik kon me zijn diepe ontgoocheling goed voorstellen. Vier jaar zware trainingsarbeid was in één klap weggevaagd; al die jaren had hij toegewerkt naar een revanche op het noodlot, dat hem destijds trof in de vorm van een falende coach. En nu werd hij overtroffen door een sublieme tegenstander die de race van zijn leven reed.

Je moet een edelmoedig mens óf een groot huichelaar zijn om zoveel tegenspoed sportief te kunnen aanvaarden. Kramer kon het niet opbrengen en zijn fans sloten daarvoor hun ogen, omdat ze liever een mythe in stand wilden houden: de mythe van de grootse, onberispelijke kampioen.

In de studio viel te merken dat ook de commentatoren hun scepsis hadden over de verklaring van Kramer. Als hij écht veel last van zijn rug had gehad, zou hij deze tijd niet hebben gereden, zei Rintje Ritsma. Interessant was ook de reactie van Jillert Anema, de coach van Bergsma, op het blessure-excuus. Hij zei het ingewikkelder, maar ik begreep er dit van: grote kampioenen zoeken de oorzaak van een nederlaag altijd buiten zichzelf, omdat ze anders moeten erkennen dat ze minder goed zijn dan hun tegenstander.

Maar zelfs al was Kramer zwaar geblesseerd geweest, dan nog is het weinig sportief daar meteen na een nederlaag over te klagen. Bij grote (tennis)kampioenen als Federer en Nadal is mij vaak opgevallen dat ze dat zo min mogelijk doen om zo de eer aan hun overwinnaar te laten. Kramer bleek er niet toe in staat. Geeft verder niet, maar waarom zouden we doen alsof het wel zo was?