‘Politiek theater stoot mij af’

Tegenover de boze politieke punkchaos van Castorf stelt Herbert Fritsch een licht en blijmoedig theatraal feestje. „Mijn publiek mag vrolijk zijn.”

‘Dat woedende Duitse politieke toneel, ik hááát het!” Huisregisseur Herbert Fritsch (Augsburg, 1951), die elk jaar één productie bij de Volksbühne maakt, zegt het lachend. De goedmoedige grijsaard, die tot 2007 acteur was bij het gezelschap en zich sindsdien tot succesregisseur heeft ontwikkeld, is in alles het tegenovergestelde van Castorf. Qua persoonlijkheid – goedlachs versus notoir nurks – maar vooral in regiestijl.

Tegenover de chaos van Castorf zet Fritsch een gestileerde vorm. Wil Castorf zijn publiek geselen, bij Fritsch mag het genieten. Tegenover woede stelt hij opgewekt escapisme. Maar niet op een lach-of-ik-schietmanier; Fritsch’ theatertaal is in de slim gelaagde lichtheid bijna on-Duits.

Maar, dat moet gezegd, Fritsch kon zijn recente theaterhits Die (s)panische Fliege, Murmel Murmel, Frau Luna en Ohne Titel bij de Volksbühne maken dankzij Castorf. Het tekent zijn durf, vindt Fritsch. Neem Murmel Murmel, zijn vrolijk-dadaïstische acteerfeestje waarvan de tekst enkel uit dat ene woord bestaat. „Als ik ergens anders had voorgesteld dat te maken, hadden ze me aangekeken of ik gek was. Niemand zou zoiets toestaan in de grote zaal, terwijl dat bij Frank totaal niet in Frage was. Of neem mijn nieuwste, Ohne Titel. Frank vroeg: wat wil je doen? Ik zei: geen idee! En hij zei: oké. In de grote zaal? Frank heeft een compleet andere stijl en is het totaal niet eens met mijn opvatting over theater, en toch krijg ik van hem alle ruimte.”

Fritsch is fel gekant tegen het moralisme en de betweterigheid van het Duitse theater, en tegen het vaak uitgesproken politieke karakter. „Als maker interesseer ik me niet voor politiek. Ik wil geen naziuniformen op toneel zien, dat soort verwijzingen stoten mij af.”

Duitse theatermakers zouden een andere houding moeten aannemen ten aanzien van hun publiek, vindt Fritsch. „Die houding is nu vaak: wat ik maak is Heel Belangrijk en extreem politiek relevant. Volgens te veel Duitse regisseurs bestaat het publiek uit idioten die moeten worden onderwezen of zich schuldig moeten voelen. Ze moeten het theater verlaten met een gevoel van ‘Ik ben slecht!’ Maar dat vind ik Scheisse. Ik ben geen leraar, psychiater of priester; ik maak theater. En theater heeft publiek nodig. Bij mij mag je de zaal vrolijk verlaten.”

En, God, mag het Duitse toneel alsjeblieft wat grappiger? „Meestal is humor in het Duitse theater taboe. Na een voorstelling van Die (s)panische Fliege kwam ooit een vrouw naar me toe die zich schaamde dat ze hardop had moeten lachen. Dat is toch verschrikkelijk?”

De theatertaal van Fritsch is die van de stomme film, van Louis de Funès, de Marx Brothers en Buster Keaton. Het is geraffineerde slapstick, vormvast en expressief. Daarmee zoekt hij aansluiting bij de verdwenen (Joodse) theatertraditie van de jaren twintig. „Ik wil een levensgevoel overbrengen dat destijds op de bühne heerste, maar door de nazi’s de kop is ingedrukt. In plaats van steeds maar zeggen hoe slecht we zijn, vind ik het belangrijk om in theatraal opzicht weer aan te sluiten bij dat wat de nazi’s hebben verwoest. Zo sla ik een brug over die gruwelijke jaren heen.”

Voor Murmel Murmel, te zien tijdens Brandhaarden, liet hij zich inspireren door het boek van kunstenaar Dieter Roth, dat is vol geschreven met alleen dat ene woord: Murmel. „Het sloot aan bij een sensatie die ik wel eens in mijn bibliotheek heb. Wat gebeurt er ’s nachts met ongelezen boeken? Al die informatie, al die woorden; ik stelde me voor dat die boeken ’s nachts allemaal zachtjes staan te murmelen in hun kast.” De keuze voor een toneeltekst bestaande uit één woord onderstreept Fritsch’ opvatting van theater: dat is veel méér dan tekst alleen. Sterker: die tekst is van ondergeschikt belang.

Muziek, decor, kostuum, grime, expressie, gestiek; dat zijn de middelen bij uitstek waarmee het theater moet communiceren, vindt Fritsch. Murmel Murmel toont dat overtuigend met een bijzonder inventief opzwellend en inkrimpend decor, aanstekelijke muziek en vooral grandioos spel. Alleen al de verbluffend virtuoze wijze waarop de Volksbühne-acteurs ‘Murmel’ kunnen zeggen – zingend, fluisterend, flemend, smekend, honend, jubelend, verwijtend, verzoenend – maakt deze voorstelling tot een theatraal feest.