‘Onze vrouwelijke stijl is een mooie mix van agressie en verfijning'

Amerikaanse band brengt tweede album uit en treedt op in Nederland

Warpaint, met v.l.n.r Emily Kokal, Theresa Wayman, Stella Mozgawa en Jenny Lee Lindberg
Warpaint, met v.l.n.r Emily Kokal, Theresa Wayman, Stella Mozgawa en Jenny Lee Lindberg Foto Andreas Terlaak

De schoonheid van de liedjes van Warpaint dringt langzaam door, als uit een verre hoek van het bewustzijn. Eerst hoor je muziek met vage contouren. Dan ineens staat de bedoeling helder voor ogen: in deze stijl zijn geen scherpe overgangen, de muziek ontwikkelt zich als op een vloeibare manier. Stemmen rollen naar elkaar toe, ketsen af, en rollen verder terwijl geluidsflarden vervloeien. Vanaf de horizon dient zich een deinende melodie aan. Met sensueel en koesterend effect.

Vier vrouwelijke bandleden creëren samen deze muzikale nevel, met daaronder een basis die doorschemert als takken in een mistig bos; dat zijn de tikken en roffels van Stella Mozgawa en de springerige bas van Jenny Lee Lindberg. Emily Kokal speelt gitaar, Theresa Wayman speelt gitaar en keyboards. Allemaal zingen ze, maar Kokal het meest.

Op de vraag of het moeilijk is om met vier mensen zulke ingehouden, beheerste muziek te spelen, kijkt Wayman verbaasd. „We zijn misschien niet de hardste band ter wereld”, zegt ze, „maar ik vind ons behoorlijk zwaar en substantieel klinken. Dus als we spelen ervaar ik het niet als ‘ingetogen’. Ik denk dat er een natuurlijke melancholie in onze stijl zit, in de liedjes en de akkoorden die we mooi vinden. Live vind ik ons energiek.”

Mozgawa knikt instemmend. „Maar het is prettig om een zachtaardige stijl te hebben, in tegenstelling tot de mannelijke benadering.” Wayman: „Niet dat mannen nooit verfijnd zijn.” Mozgawa: „Maar vrouwen leggen meer gevoel in hun aanslag. Bij ons is het een combinatie van agressie en verfijning. Dat hoor je vooral in onze bas en drum.”

Ze zijn het ermee eens dat de muziek op hun tweede cd, Warpaint, ongrijpbaarder klinkt dan die op hun debuut, The Fool uit 2010. Achttien maanden besteedden de vier muzikanten, ondersteund door producer Flood (Mark Ellis, bekend van werk met Depeche Mode en U2) aan de opnamen van hun tweede cd. Eerst werd er geïmproviseerd en van daaruit verder gewerkt. Al was het eerder een proces van eliminatie dan van aanvulling, zegt Wayman. „Maar de oorspronkelijke emotie is bewaard gebleven. De liedjes zijn een afspiegeling van het verloop van onze stemming.” Mozgawa: „Die zou je ‘vloeiend’ kunnen noemen: van gevoelig naar duister, extatisch, maf. Al die kanten komen aan bod.”

De vier staan bekend als doorwrochte muzikanten. Het werken aan de muziek liep nu niet per se soepel, blijkt uit enkele getergde blikken tijdens het gesprek. Alsof iedere beslissing ook een verlies betekende.

Wayman: „Het moment dat een liedje ontstaat, de eerste conceptie, is een beslissend moment, dat waardevolle gevoel wil je vasthouden. Het heeft iets pijnlijks om dat kwijt te raken als er later aan wordt gesleuteld. Die eerste keer, dan is het de ruwe diamant.”

De liedjes werden geschreven door alle vier, en dat is een verschil met The Fool, dat grotendeels door Wayman en Kokal werd geschreven. In de cryptische teksten zijn drie liefdesliedjes te ontdekken: Son, van Wayman over haar nu achtjarige zoon; CC van Lindberg over haar man Chris Cunningham, en Biggy, de ode van Kokal aan zichzelf (‘I found it, moved it alone’). Een van de hoogtepunten van de cd is het omineuze Love Is To Die dat op pijnlijk elegante wijze zowel de liefde als een breuk in klanken lijkt te vatten. Het is muziek met een schaduw.

Verschil met de eerste cd is dat er minder gitaar gespeeld werd. Gitariste Wayman legde zich nu toe op keyboards. „De specifieke textuur van de gitaar paste niet meer in onze stijl. Ik had genoeg van die in elkaar gevlochten gitaarlijnen. Ik wilde iets groters, breders, dat vond ik bij keyboards.”