‘Ik ben getekend door de DDR’

Ooit vernieuwende, rebelse ‘Bürgerschreck’, toen een tijdje passé, en nu hoort Volksbühne- intendant Frank Castorf tot zijn schrik bij het establishment.

‘Het theater van de Volksbühne is rauw, geëngageerd en authentiek”, zegt Frank Castorf (Berlijn, 1951), regisseur en artistiek leider van het vermaarde gezelschap Volksbühne am Rosa-Luxembrug-Platz uit het voormalige Oost-Duitsland. „Maar we zijn ook een rijkelijk gesubsidieerd stadstheater met 12 miljoen per jaar. Dat komt ons op kritiek van jonge theatermakers te staan. Van de avant-garde ben ik bij het establishment terechtgekomen. Het anarchisme dat ik zo lang voorstond ligt nu bij een jonge generatie.”

Castorf staat erom bekend steeds de fundamenten weg te slaan waarop hij zijn toneel bouwt. Hij noemt toneel de „kunstvorm van het liegen” en toont in zijn oeuvre dat „de levensleugen en de politieke leugen ons doen en laten bepalen”.

In januari was hij in Amsterdam voor de presentatie van Brandhaarden 2014, het internationale theaterfestival in de hoofdstad. Hij vertelt hoe hij onder de DDR-dictatuur artistiek werd gevormd. „Ik ben als maker getekend door mijn verleden in de DDR. Daar studeerde ik theaterwetenschappen en bracht ik mijn eerste regies uit. Elke veroordeling van de geconsolideerde macht was verboden, dus verzonnen wij als regisseurs een vorm van versleuteling om kritisch theater te brengen.”

Zijn DDR-achtergrond verklaart het verlangen naar vrijheid en chaos in zijn werk, de rebellie en onstuitbare energie die zijn stijl uniek en ongeëvenaard maakt. Het verklaart ook de keerzijde, die vaak op weerzin stuit: de woede, de misantropie en het bestraffende politieke engagement dat elke voorstelling opnieuw binnensijpelt. In 1990 was in Nederland van Castorf de Ajax van Sophocles te zien. Daarin richtte de Ajax-acteur zich rechtstreeks tot de zaal en vroeg hardvochtig aan het publiek: „In welke taal heeft u leren liegen?”

Begin jaren negentig, toen hij bij de Volksbühne begon, was Castorf de grote belofte van het Duitse theater. Hij was een van de eerste regisseurs die video gebruikten en hij verrijkte het theater met bizarre, onconventionele middelen als slapstick, popmuziek en publieksparticipatie. Zijn handelsmerk werd een punkachtige, vaak ronduit agressieve stijl, waarbij hij geregeld de vierde wand doorbrak. Psychologisch realisme of waarheidsgetrouw theater zoekt het publiek bij hem tevergeefs. Het is zijn ambitie met „theater een wereld van de weerstand te scheppen”.

Decennialang heerste Castorf over het Duitse theaterlandschap, maar de alleenheerschappij bleek eindig. Tussen 2005 en 2010 maakte zijn Volksbühne een diepe crisis door. Zijn theatertaal werd inmiddels door andere regisseurs geïmiteerd en overtroffen. Nieuwe vormen kwamen op, maar Castorf bleef volgens critici een sjabloon van zichzelf. Ondertussen verlieten prominente acteurs uit onvrede het gezelschap – de consequent chagrijnige Castorf was naast publieksplaag en Bürgerschreck ook een tamelijk onmogelijke collega en baas. De kaartverkoop van de Volksbühne daalde met 63 procent. „Castorf is als de Vliegende Hollander op zijn spookschip”, schreef de Süddeutsche Zeitung in 2008.

De laatste jaren krabbelt zijn gezelschap weer op. Castorf heeft ruim baan gegeven aan andersoortige makers: René Pollesch met zijn theoretische, doch visueel uitbundige theater, Christoph Marthaler en diens bewust slepende muziektheater-in-mineur en Herbert Fritsch: ooit prominent acteur in Castorfs ensemble, nu een verrassend vrolijke maker die in alles zijn artistieke tegenhanger is. Ook Castorf zelf is artistiek gerehabiliteerd. Na een decennium door opeenvolgende jury’s te zijn genegeerd, werd zijn enscenering van Célines Reise ans Ende der Nacht dit jaar geselecteerd voor het prestigieuze theaterfestival Theatertreffen.

Brandhaarden toont Castorfs bewerking van Dostojevski’s ‘rouletteroman’ Der Spieler uit 2011. Castorf situeert de voorstelling in gokparadijs Las Vegas. Daar vergooien mensen hun geld om de illusie te kopen van geluk. Het thema van de levensleugen staat in zijn werk nog fier overeind. Maar Castorf lijkt nu meer erbarmen te voelen voor zijn personages, wier passie, hoop en dromen oplossen in de leegte van Vegas. Mild: „Als mensen het leven aankunnen door in de begoocheling te geloven, dan heb ik daar nu alle begrip voor. Vroeger was ik anders, toen kwam ik daartegen fel in opstand. Dat is voorbij.”