Het vertrouwen in de politiek schommelt vooral

In de aanloop naar 19 maart checkt NRC of beweringen van politici kloppen. Vandaag: ‘Het vertrouwen in de politiek ligt op een dieptepunt’.

De aanleiding

Het is zo’n stelling waarvan je gevoelsmatig geneigd bent te denken: dat zal wel kloppen. Vorige week verstuurde het CDA een ‘stadsmanifest’ waarin lijsttrekkers van de partij in de grote steden vragen om meer ruimte voor eigen beleid. In het bijbehorende persbericht lezen we: „Volgens de CDA-lijsttrekkers bevindt het vertrouwen in de landelijke politiek zich op een ongekend laag niveau.”

In de voorbeschouwingen op de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart valt het op: er wordt flink wat afgesomberd. Media berichten over raadsleden die worden bedreigd. Over partijen die moeite hebben om geschikte kandidaten te vinden. Begrijpelijke gedachte: met dat vertrouwen zal het ook wel niet goed gaan.

Waar is het op gebaseerd?

Een woordvoerder van het CDA noemt drie bronnen voor de sombere stelling van de christen-democraten. Zo deed het dagblad Trouw vorig jaar onderzoek met de Vrije Universiteit Amsterdam. Dat leidde op de voorpagina tot de kop: „Boos volk wil nu een sterke leider”. Daarnaast is er recent onderzoek van TNS NIPO. Conclusie: „Vertrouwen in kabinet-Rutte II blijvend laag”. En dan komt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) elk kwartaal met ‘burgerperspectieven’, onderzoek naar opvattingen van burgers.

En, klopt het?

Alleen het SCP stelt rechtstreeks vragen over vertrouwen in politieke instituties. Onderzoeker Paul Dekker, ook hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Tilburg, legt uit dat het vertrouwen in de politiek flink schommelt. En dat is goed verklaarbaar. Zo nam het vertrouwen toe na het aantreden van Balkenende IV in 2007. Het nieuwe kabinet beloofde honderd dagen te gaan luisteren naar de samenleving en dat zorgde waarschijnlijk voor een boost. Iets dergelijks gebeurde na de bankencrisis, in 2008. Balkende en vooral minister Bos van Financiën maakten een daadkrachtige indruk. Dat beviel blijkbaar.

Het SCP doet dit onderzoek sinds 2008. Voor informatie over een langere periode zijn twee alternatieven, zegt Dekker. Een ervan vormen de European Value Studies, waarin sinds 1981 ook wordt gevraagd naar politiek vertrouwen. Maar dat onderzoek wordt slecht eens in de negen jaar gedaan. En aangezien het vertrouwen schommelt, kan die studie een vertekend beeld geven wanneer toevallig tijdens een piek of een dal gemeten is.

Toch is de grote lijn wel duidelijk, zegt Dekker. In de laatste decennia van de vorige eeuw was het vertrouwen in de politiek groot. Nederland was, wat de deskundigen noemen, een high trust society. Eind 2003 was er sprake van een dieptepunt na de periode van Fortuyn en de LPF-perikelen die daarop volgden. Sindsdien schommelt het vertrouwen flink.

Die schommelingen worden goed zichtbaar in de Eurobarometer – het tweede alternatief. Dit Europese onderzoek naar politiek vertrouwen wordt elk halfjaar gedaan. Begin 2002 was ruim 60 procent van de bevolking „eerder geneigd” de regering „te vertrouwen”. Eind 2003 werd een dieptepunt bereikt: minder dan 40 procent. Daarna volgden pieken en dalen. Onlangs bevond Nederland zich weer in een dal (tegen de 45 procent), maar niet zo diep als na de Fortuyn-revolte. Vragen naar vertrouwen in het parlement laten eenzelfde beweging zien.

Conclusie

Goed nieuws! Het valt best mee met dat wantrouwen jegens politici. Toegegeven, het is beter geweest. Maar ongekend laag, dat wil zeggen: nog nooit voorgekomen? Het is ook slechter geweest. En als het even meezit, schieten de cijfers zo weer omhoog.

SCP-onderzoeker Dekker mailt nog een hoofdstuk uit een boek dat hij heeft geschreven over dit onderwerp, met een advies aan politici: „Politici die zich menen te moeten richten op ‘herstel van vertrouwen’ gaan rare dingen doen om te worden gewaardeerd en geven juist aanleiding tot wantrouwen.”

De bewering dat het vertrouwen in de politiek ongekend laag is, is dus grotendeels onwaar.