Het gouden oog van Jon van Regteren Altena

Met een klein budget een topverzameling aanleggen. Het lukte I.Q. van Regteren Altena dankzij zijn fenomenale kunsthistorische kennis. Christie’s gaat zijn verzameling tekeningen van oude meesters veilen.

Linksboven: Peter Paul Rubens (1577-1640): Samson en Delila, studie voor het schilderij in de National Gallery, Londen. Pen en bruine inkt, bruin gewassen, 16,4×16,2 cm. Schatting 1.500.000-2.500.000 pond (circa 1.800.000-3.000.000 euro)
Linksboven: Peter Paul Rubens (1577-1640): Samson en Delila, studie voor het schilderij in de National Gallery, Londen. Pen en bruine inkt, bruin gewassen, 16,4×16,2 cm. Schatting 1.500.000-2.500.000 pond (circa 1.800.000-3.000.000 euro)

De hand van een meester herkennen in zijn tekeningen, dat was het grote talent van kunsthistoricus Iohan Quirijn van Regteren Altena (1899-1980). Bij een kunsthandelaar in Londen zag de jonge Altena in januari 1927 een ongesigneerde, eeuwenoude krijttekening die zijn begeerte wekte: een studie van het hoofd en de linkerschouder van een vrouw.

Hoe groot zijn verlangen was, kan opgemaakt worden uit het kasboek waarin Altena zijn aan- en verkopen bijhield. Hij ruilde het vrouwenportret tegen drie tekeningen van erkende meesters die hij een half jaar eerder voor 40 gulden had gekocht, plus een bijbetaling van 6 gulden. Uit het register blijkt ook waarom hij bereid was zo’n hoge prijs te betalen. Bij zijn aankoop noteerde hij: „Rafaël? Studie Transfiguratie.”

Het vraagteken had ook een uitroepteken kunnen zijn; Altena had het met zijn grote kunsthistorische en iconografische kennis weer eens goed gezien. Voor 46 gulden had hij een werk verworven van de Italiaanse grootmeester Rafaël, een gedetailleerde studie voor de centrale figuur van zijn schilderij De Transfiguratie, het meesterwerk dat hij vlak voor zijn dood in 1520 schilderde en dat nu in de Vaticaanse Pinacotheek hangt. Twee vergelijkbare studies van Rafaël brachten de afgelopen jaren op veilingen elk meer dan 35 miljoen euro op.

I.Q. van Regteren Altena (‘Jon’ voor intimi) is een voorbeeld van een gepassioneerde verzamelaar die dankzij een fenomenale kennis met een klein budget een verzameling van wereldklasse bij elkaar brengt. Bladerend door zijn kasboek wordt duidelijk dat hij de meeste tekeningen en prenten voor een habbekrats kocht: het wemelt van de bedragen van 1 tot 25 gulden. En door slim te verkopen of te ruilen, kon hij zich weer betere tekeningen permitteren.

Hertogen van Devonshire

Vandaag maakte Christie’s bekend dat het de collectie-Altena mag veilen. Een spectaculaire gebeurtenis, het gaat met 800 werken om de grootste particuliere verzameling oude tekeningen van Nederland. Directeur Jop Ubbens: „Sinds de veiling van de collectie van Hans van Leeuwen in de jaren negentig is er niet meer zo’n grote Nederlandse verzameling geveild.”

Kunstconsultant Johan Bosch van Rosenthal, die de erven Altena adviseert, maakt liever een internationale vergelijking. „Sinds de collectie van de hertogen van Devonshire in de jaren tachtig op de markt kwam, is er niet meer zo’n belangrijke tekeningenveiling geweest.”

De collectie-Altena bevat vooral werken uit de Hollandse, Vlaamse en, in mindere mate, Franse en Italiaanse scholen uit de periode van de zestiende tot de negentiende eeuw. Onder de achthonderd bladen zijn tekeningen van Rembrandt, Rubens, Goltzius en vele andere grootheden. Om de opbrengst te maximaliseren heeft het veilinghuis ervoor gekozen de collectie gespreid aan te bieden, met vier veilingen en op drie locaties: zeventig topstukken op 10 juli in Londen, de Nederlandse en Vlaamse tekeningen in december 2014 en mei 2015 in Amsterdam en tot slot in maart 2015 in Parijs de Franse en Italiaanse tekeningen. De totale opbrengst raamt het veilinghuis op 12 miljoen euro.

De verzameling-Altena telde ooit meer dan duizend bladen. De collectioneur schonk vele werken aan musea. Zijn onbetwiste topstuk, de studie van Rafaël, legateerde hij bijvoorbeeld samen met nog enkele tientallen Italiaanse tekeningen aan het Rijksmuseum, waar hij van 1948 tot en met 1962 werkte als directeur van het Rijksprentenkabinet. Na de dood van zijn weduwe besloten hun drie kinderen in 2009 nog eens 45 tekeningen aan het Rijksmuseum over te dragen. Hiervoor maakten zij gebruik van de fiscale regeling ‘Successie betalen met kunst’.

Jacob de Gheyn II

Dit vriendelijke gebaar heeft nu een vervolg gekregen. Het Rijksmuseum mocht van de erven een eerste keus maken uit de te veilen collectie. Een belangrijke landschapstekening uit 1603 van Jacob de Gheyn II, de kunstenaar op wie Altena promoveerde, en een verzameling van 45 vroeg negentiende-eeuwse aquarellen van Italiaanse landschappen van J.A. Knip kon het museum met bijdragen van diverse grote fondsen en een particulier zo verwerven. De familie schonk het museum bovendien een groep van 69 tekeningen van negentiende-eeuwse Nederlandse kunstenaars in Italië.

De aankopen stonden al lang op het verlanglijstje van het Rijksmuseum, zegt directeur collecties Taco Dibbits. Hij noemt de eerste keus en de schenking „grote gestes, die de oude band van Altena met het museum onderstrepen”.

Iohan Quirijn van Regteren Altena stamde uit een intellectuele Amsterdamse familie, waar kunst hoog in het vaandel stond. Net als sommige familieleden wilde Iohan schilder worden. Maar al op zijn twintigste kwam hij tot de conclusie dat zijn talenten elders lagen. Hij ging studeren en werd een veel publicerende hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Die baan combineerde hij twee decennia met het directeurschap van het Rijksprentenkabinet en een rol als conservator bij het Teylers Museum in Haarlem, een driedubbelfunctie die nu ondenkbaar zou zijn. Als museummedewerker verzamelde hij niet of nauwelijks, zeggen de kinderen. Maar in de jaren daarna ging Altena weer gestaag verder, zij het nooit meer zo voortvarend als in zijn jeugd.

De verzamelpassie was niet altijd gunstig voor het huishoudboekje, herinnert dochter Charlotte zich. „Hockey- en tennisclubs waren er vroeger niet bij voor ons.” Ze herinnert zich haar vader als een gepassioneerde hoogleraar die nooit twee keer hetzelfde college hield. Hij was ook een verdienstelijk zondagsschilder, die plezier had in pianospelen, zelf ooit een blaaskwintet componeerde en die graag tenniste en wandelde. Maar zijn hartstocht, zegt Charlotte, lag duidelijk bij het collectioneren. „De verzameling was het kunstwerk dat hij ons naliet.”

Jongste zoon Maarten beschrijft hoe zijn vader nieuwe aanwinsten vaak eerst thuis ergens ophing, voordat hij ze opborg in de lichtgroene tekeningenkast in de gang van hun bovenwoning in Amsterdam-Zuid. De veroveringen stonden bijvoorbeeld een tijdje op de schoorsteenmantel in de woonkamer of in de ouderlijke slaapkamer. „Dan sliep mijn vader met zijn nieuwe aanwinst in en stond hij er ook weer mee op.”

Met smaak kon hij ook de bijbehorende jachtverhalen vertellen, zegt Charlotte. „Dan hoorden we hoe en waar hij ze had gevonden en gekocht. Dat was vaak in het buitenland, Parijs, Londen, Frankfurt, soms ook in New York of Washington. Hij was dan heel blij met zijn aankoop. Of trots dat hij iets gezien had wat anderen niet zagen.”