Akademie van Kunsten, niet van Karikatuur

Het nuttigheidsdenken, de kunstenaar als zonderling – genoeg voor debat, aldus Akademie-lid Barbara Visser.

In NRC van 15 februari noemt schrijver en dichter Robert Anker de pas opgerichte Akademie van Kunsten, die kunstenaars meer maatschappelijke invloed moet geven, een ,,sympathieke vergissing’’ die zou voortkomen uit het slechte geweten van kunstenaars ,,dat ze iets moois maken terwijl de wereld in brand staat’’. Met die opvatting ben ik het niet eens.

De Akademie van Kunsten vroeg mij lid te worden en daar ging ik graag op in, niet uit schuldgevoel. Ook de achttien andere leden hebben zich verzoend met het feit dat ze geen medicijn tegen kanker zullen ontwikkelen. Toch hopen wij een bijdrage te leveren aan het debat over kunst en cultuur en de publieke perceptie ervan.

Anker serveert in zijn stuk het economische nuttigheidsdenken af – dat siert hem. Sterker, zo’n perspectief op cultuur is wat mij betreft één van de eerste zaken waarop de Akadamie invloed moet uitoefenen. In dat verband vind ik zijn stelling ‘geef de kunstenaar geld in plaats van een Akademie’ nogal vreemd. Wil ik die vierhonderd miljoen euro aan bezuinigingen terug? Graag, maar dat zal de zwakke positie van de kunsten niet verbeteren. Dat ‘het experiment’ in de kunsten zwaar onder druk staat heeft immers weinig met de crisis te maken.

De werkelijke oorzaak is het ontbreken van een groter verhaal, waarin kwaliteit en subtiliteit centraal staan, waarin onderzoek, experiment en ook het onvermijdelijk falen worden opgenomen als integraal onderdeel van leven, werken en vooruitgang. Dat verhaal begint in het onderwijs. Dat is cultuur: dat we naast de opwindende actualiteit, ook in andere tijdspannen kunnen en willen denken – die van een mensenleven om maar wat te noemen. Ik zie daar het nut van in. Anker noemt één cruciaal gegeven dat misschien wel de oorzaak van alle malaise is: het achterhaalde beeld van de kunstenaar als zonderling, van iemand die de wereld ver van zich houdt om maar te kunnen scheppen. Door te stellen dat zelfs in eenzame opsluiting al genoeg werkelijkheid de wereld van de kunstenaar binnenkomt, schetst hij een karikatuur van de kunstenaar.

Het maken en tonen van kunst wordt ten onrechte neergezet als eenrichtingsverkeer. Een misvatting, want elk goed kunstwerk is geworteld in de werkelijkheid. Die werkelijkheid verlangt meer dan ooit van de maker dat hij of zij naar buiten stapt en een gesprek of samenwerking aangaat.

De grap is dat heel veel makers dat al heel lang doen, maar dat het beeld van de seculiere monnik nauwelijks is bijgesteld. Daar moet de Akademie van Kunsten misschien iets recht zetten, opdat buitenstaanders begrijpen dat kunst onderdeel van het grote weefsel is en geen eigen orde die los staat van de wereld eromheen.

Kunst is geen ,,in zichzelf besloten organisme’’, zoals Robert Anker stelt, geen manifestatie van het vreemde: het laat ons juist datgene, dat wij menen te kennen, op een nieuwe manier zien en meemaken.