‘Zelfverkozen levenseinde is taboe’

Imelda Coenen, 87 jaar
Imelda Coenen, 87 jaar Foto’s Karoly Effenberger

Imelda Coenen (Puck voor vrienden) is 87 jaar. Zij woont in een aanleunwoning in Breda.

Vanaf tien uur ’s morgens zit ik voor het raam. Ik volg wat er twee etages lager gebeurt. Het wordt elf uur, twaalf uur, één uur. Aan het eind van de middag slaak ik een zucht. Ik moet nog tot middernacht, denk ik dan.

„Mensen in het zorgcentrum zien mij als een vrolijk mens. ‘Ha, Puck is in de buurt’, hoor ik vaak. ‘Nou wordt het gezellig.’ Ik organiseer veel. Maak grapjes. Maar als je me vraagt of ik gelukkig ben? Nee. Geluksmomenten zoek ik met een kaarsje.

„Op mijn jeugd valt weinig aan te merken. Of het moet zijn dat mijn ouders mij in de oorlog na een bombardement van school haalden. Jammer, want ik was gek op leren. De gaven die je van boven hebt meegekregen, moet je goed benutten.

Toch heb ik zeker niet stilgezeten. Ik had zakelijk inzicht en opende vier drogisterijen. En ik heb twee grote liefdes gekend: Loek en Henk. Loek ontmoette ik tijdens de oorlog. Hij was 26 en commandant van de EHBO. Ik was 17 en vrijwilliger. Hotel de botel dat ik was!

„Loek en ik waren 23 jaar getrouwd toen hij overleed na een medische misser. Hij was suikerpatiënt en kreeg verkeerde voeding in het ziekenhuis na een hartaanval. Tijd om te rouwen had ik niet. Ik was moeder van vier kinderen en moest mijn winkels draaiende houden. Ik wilde mijn energie bewaren voor als het écht nodig was.

„Dat moment kwam 27 jaar later, na de dood van Henk. We leerden elkaar kennen via een contactadvertentie. Henk was alcoholist, maar ik begreep dat hij liefde tekortkwam. Toen hij uit zichzelf hulp zocht, groeiden we naar elkaar toe. Ik vond het fijn dat Henk mij nodig had.

„In de jaren voor zijn dood woonden Henk en ik in Spanje. We leidden een zorgeloos bestaan. Maar toen kreeg Henk ruggemergkanker. Het was niet uitzichtloos, maar we hadden de pech dat een verpleegster de chemokuur in zijn huid spoot in plaats van de bloedbaan. Zes weken zat Henk onder de brandwonden.

„Lang heb ik gedacht: ik heb geluk gehad. Het leven heeft mij twee fijne mannen gegeven. Ik speelde piano en maakte legpuzzels. Dat soort bezigheden hield mij op de been. Wat niet wil zeggen dat ik Henk niet miste. Als hij hier zou zitten, kroop ik zo bij hem op schoot.

„Toen ik twee jaar geleden artrose kreeg, kwam de woede. Dankbaar zijn kostte steeds meer moeite. Ik begon mij af te zetten tegen leeftijdgenoten. Toen ik eens wandelde met een paar vrouwen, schoot het door mij heen: wat loop ik hier met die ouwe wijven met hun rollator!

„Als ik tegen mijn kinderen zeg dat ik niet meer wil leven, kijken ze mij glazig aan. ‘Je geeft mij het gevoel dat ik tekortschiet’, zei mijn dochter. Daar schrok ik van, maar ik begrijp haar wel. Ik heb geleerd mijn gevoelens voor me te houden.

„Het zelfverkozen levenseinde is een taboe. Als ik er met andere bewoners van het zorgcentrum over probeer te praten, haken zij af. ‘Het leven is door God gegeven’, zeggen ze dan. ‘Jij bent zo leuk bezig.’ Maar ik heb toch niet om dit leven gevráágd? Waarom zou ik er dan niet zelf een punt achter mogen zetten?

„Ik zou nooit voor de trein springen – daar ben ik te laf voor. Maar ik heb wel een reanimeer-mij-niet-penning om mijn nek. En als de pil van Drion echt zou bestaan, zou ik hem in mijn nachtkastje leggen. Niet in mijn broekzak, dat is te dichtbij. Ik wil het moment rustig kunnen bepalen.”

Interviews