Weet je, jij bent soms zóóóó elitair

Het is een scheldwoord, je wilt het niet zijn: elitair. Maar de ene elite is de andere niet, stelt Francisca Wals, terwijl ze nog een oester of een slakje prikt.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

‘Ik wil niet in Frankrijk skiën”, zeg ik. Met telefoon tussen oor en schouder geklemd graai ik naar mijn fietssleutels. „Dat is de Bijlmer in de sneeuw, zonde van het geld.”

„Het is ook nooit goed genoeg voor jou”, hoor ik mijn geliefde zeggen.

Schaak. Dat zegt ze wel vaker. Als zij naar een Hollywoodfilm wil bijvoorbeeld. En ik naar een Franse. Als zij naar Top Gear wil kijken. En ik lonk naar de weekendkrant.

„Nee kijk”, werp ik tegen. „Ik bedoel, als je gaat doe het dan goed. Naar Oostenrijk of Zwitserland, bijvoorbeeld.”

Stilte. Mijn kettingslot schiet los.

„Weet je”, zegt ze, „jij bent soms zo… elitair.”

Schaakmat. Ook dat hoor ik niet voor de eerste keer. Geboren in Amsterdam-Zuid, gymnasium en een studie filosofie. Vakanties in Toscane, trips naar Londen, New York en Parijs. Ballet, toneel en Zweedse kinderfilms. Slakken proefde ik toen ik zeven was, oesters met een jaar of acht. Belastende feiten, guilty as charged.

„Ik ben niet elitair”, bijt ik terug. „Ik kan er toch ook niks aan doen dat ik vaak geskied heb?”

Als aangeschoten wild zit ik op de fiets. In mijn flank geraakt. Elitair, dat is geen compliment. Het is een steek onder water. Ontken en je liegt, geef toe en het wordt alleen maar erger.

Munitie om terug te vuren heb ik niet. Zij komt uit het centrum van Amsterdam, daar waar vijf jaar geleden de junks nog sliepen, de dealers nog hingen. Zij is grafisch ontwerper, had geen zin in theoretisch studeren. En oesters eet ze niet. Zeg dáár maar eens iets over.

Een ‘dodelijke combinatie’

Elitair, het is een scheldwoord. ‘Dikdoenerig’ en ‘opgeschroefd’, volgens Synoniemen.net. ‘Hooghartig’ en ‘neerbuigend’, aldus mijnwoordenboek.nl „Een dodelijke combinatie van snobisme en onnozelheid”, volgens het corps elitehaters dat Femke Halsema in een stuk in De Correspondent ten tonele voert.

Elitair, dat is ex-VVD-politicus Ton Hooijmaijers die tijdens een interview over zijn witwaspraktijken en passant een wijn van 80 euro bestelt. Dat is NRC Lux met interviews in de Librije, horlogereclames en de nieuwste Japanse meubeltrends. Dat is ‘hun daar’ in Den Haag, in Oud-Zuid, in het Gooi. Dat is truffel en kaviaar over de rug van de hardwerkende samenleving.

Doe niet zo elitair, kopte de opiniepagina van NRC Handelsblad eind januari. Het was een oproep aan D66’ers van een Jonge Democraat: „Keer terug naar jullie populistische roots”. Ze moesten maar eens korte metten maken met hun ‘elitaristische zweem’, vond hij. Want elitair, stelt ook Femke Halsema, dat is „zo ongeveer het akeligste verwijt wat je kan worden gemaakt”.

Elitehaat is niet nieuw. In 1848 drukte Karl Marx de proletariërs aller landen in alle toonaarden op het hart dat ze zich moesten bevrijden van de ketenen die de bourgeoisie voor hen smeedde. Weg met die economie dominerende bovenbouw – ruim baan voor de communistische geest.

En ook volgens de achttiende-eeuwse Jean-Jacques Rousseau was de elite een bron van ellende: die had het in de geschiedenis zo geregeld dat haar gewiekste toe-eigening van geld en luxe in een onvervreemdbaar recht veranderde. Geen toeval dat Rousseau de mascotte werd van de Franse Revolutionairen, woest als ze waren op Marie Antoinette en haar elitaire uitspattingen. „Geef ze dan cake!” zou zij hebben geroepen toen ze hoorde dat die boze boeren bij de poorten van Versailles geen brood hadden.

Klassenstrijd op microniveau

„Goh”, zegt mijn geliefde als we de bioscoopzaal uitlopen. „Dat deed me denken aan ons.” We hebben net La vie d’Adèle gezien; een liefdesepos over een meisje uit een arbeidersmilieu dat valt voor een bourgeoise bohémienne. Het loopt niet goed af. „Wat betreft dat wel versus niet elitair dan hè”, vult ze zichzelf aan.

In de film zagen we hoe Adèle oesters krijgt voorgeschoteld bij haar chiquere schoonfamilie. Vindt ze niet lekker. Bij haar thuis eten ze spaghetti bolognese, zonder veel te praten, mét rode wijn – het blijft wel Frankrijk. Adèle haalt een onvoldoende voor filosofie; haar geliefde geeft haar bijles. Adèle wordt kleuterjuf; haar geliefde kunstenares. Adèle voelt zich geminacht; haar geliefde miskend. Een klassenstrijd op microniveau, wij kennen het maar al te goed.

Spaghetti versus oesters, (geen) brood versus cake. Volgens de Franse filosoof en socioloog Pierre Bourdieu komen klassenverschillen nergens zo helder tot uiting als in wat we eten. Ontbijt, lunch en diner, het zijn symbolische wapens in de strijd voor een plekje in de sociale pikorde. Maar ook andere ‘esthetische preferenties’ tellen mee: hoe we praten, welke muziek we luisteren, de boeken die we lezen, wel of geen opleiding, museum of pretpark – het zijn geïnternaliseerde voorkeuren bepaald door een cocktail van economisch, sociaal en cultureel kapitaal. Oftewel: geld, de netwerken waarin je erkend wordt, plus kennis, talenten, eigenschappen en attitudes die je als kind met de paplepel ingegoten kreeg.

Waarom nou al die verschillende kapitalen om iemands sociale status te kunnen verklaren? Nou, meende Bourdieu, zo kon hij bijvoorbeeld het verschil duiden tussen de nouveau riche – die een Rothko koopt voor prestige of rendement – en de intellectueel – die het kunstwerk op de juiste manier weet te ‘consumeren’. De nouveau riche mag dan wel de dezelfde financiële middelen hebben om zich het schilderij toe te eigenen, de intellectueel heeft het culturele kapitaal om het op z’n artistieke waarde te schatten.

Handig dus: zo kunnen we verschillende sóórten elite onderscheiden. De intellectuele garde – met haar hoogdravende boeken, opera’s, tafeletiquette en Ottolenghi-voer – en de wolves of Wall Street, die hun gebrek aan cultureel kapitaal overschreeuwen met dollarbiljetten, allerhande protserigheid en een grote bek.

Game over voor elitehaters?

Elk land heeft elites nodig, stelt Femke Halsema in De Correspondent: ‘Politieke leiders, captains of industries, smaakmakende journalisten of publieke wetenschappers die toekomstvisies willen ontvouwen, beslissingen durven nemen, hun nek willen uitsteken.’ En inderdaad: de communistische geest plus bijbehorende elite-eliminatie bleken niet echt een goed recept voor een geoliede economie, volle supermarkt of gezellige samenleving.

Game over voor Marx, Rousseau, mijn geliefde en overige elitehaters? Niet per se. Hun brulbrieven en boze leuzen zijn wel degelijk terecht – mits geadresseerd aan de juiste ontvanger: die protserige, rijke, hautaine elite met een overdosis economisch kapitaal. Negentiende-eeuwse fabriekseigenaren, de Marie Antoinettes uit heden en verleden, zichzelf verrijkende VVD’ers en brokers uit op eigenbelang: zij zouden het moeten ontgelden.

Maar de ene elite is de andere niet. Geen mens, zei Rousseau, zou zo rijk moeten zijn dat zij een ander kan kopen – en niemand zo arm dat zij koopbaar wordt. Zijn werkelijke zondebok is niet dat kunstminnende, boeken lezende groepje intellectuelen – het is het slag dat nog rijker worden ziet als enig doel en daar nog mee te koop loopt ook.

Economisch kapitaal, nou ik heb het niet. Voor ons dit jaar geen Zwitserland, geen sneeuw, geen ski’s. Parijs werd de bestemming; de allergoedkoopste treintickets, appartementje via Airbnb. „Ik vind het óók leuk hoor”, zegt mijn geliefde als we door de winterse tuin van Musée Rodin lopen. „Dat elitaire gedoe van jou. Ik bedoel, zo kom ik nog eens in een museum. Maar…” Ze stopt met lopen, blijft staan bij een beeld. Maar? „Weet je, het is ook niet alles. Niks mis met feta van de Euroshopper, en de universiteit is niet de enige weg naar geluk.” Ze kijkt weg, ik volg haar blik – omhoog langs verdorde rozen, graniet en brons. Daar zit hij dan, neerziend op de heffe des volks. Rodins pièce de résistance. De denker.