Vallotton wist niet wat hij met kleur moest

De Zwitsers-Franse schilder en graficus Félix Vallotton (1865-1925) maakte meesterlijke houtsneden. Hij beoefende de techniek maar kort, in de jaren negentig van de negentiende eeuw, maar hij maakte er heel eigenzinnige prenten mee. Meestal waren dat verhalende voorstellingen met mensen, binnenshuis of op straat. Je staat ervan te kijken hoe Vallotton ruimtelijke taferelen plat wist te krijgen, wist op te splitsen in zwart en wit. Schaduwkanten en slagschaduwen liet hij samensmelten tot grote zwarte partijen. In donkere interieurs kerfde hij scherpe witte lijntjes, die onze hersenen meteen begrijpen als randjes licht langs rug- en armleuningen, kasten en muziekinstrumenten. Gezichten zijn witte accenten waar weer zwarte puntjes in staan als ogen. Minimale tekens, maximale suggestie.

Het Van Gogh Museum bezit maar liefst negentig houtsneden van Vallotton. Een keuze daaruit hangt nu in het prentenkabinet van het museum, als onderdeel van een Vallotton-retrospectief. Je snapt onmiddellijk waarom die grafiek van hem door tijdgenoten werd geprezen en gekocht. Maar Vallotton schilderde liever, en nadat hij in 1899 met een rijke weduwe was getrouwd verruilde hij de burijn definitief voor het penseel. De rest van de tentoonstelling is daarom gewijd aan zijn schilderijen. Dat is even schrikken.

Want aan het begin van zijn carrière had hij in een precieze, naturalistische stijl geschilderd, maar in zijn nieuwe schilderijen probeerde hij de platte, decoratieve kwaliteiten van zijn houtsneden te verwerken – en die kwaliteiten kreeg hij niet goed meer terugvertaald in kleur, toon en volumes. Zijn beste schilderijen werken nog wel in reproductie of van een afstandje: een ovaal zwart gat in het eendenkroos op een vijver is bijvoorbeeld een origineel beeld met een sterk grafisch karakter. Een ander mooi vereenvoudigd vormpje is het meisje met de gele hoed dat (op een van zijn beroemdste schilderijen, uit het Musée d’Orsay in Parijs) achter een rode bal aan huppelt, vergezeld door een schaduw als een rorschachvlek.

Maar in het echt en van dichtbij is het teleurstellend hoe ongeïnteresseerd Vallotton het park om dat meisje heen heeft afgeraffeld. In het zwarte gat in het kroos ontbreekt ook ieder schilderkunstig leven. Rechts zijn er nog wel een paar witte rimpelingen in het water getekend, maar die zijn haast amateuristisch misplaatst.

Nog treuriger wordt het in de schilderijen van figuren. Geportretteerden hebben gezichten van plastic. Naaktmodellen liggen als uitgeknipte contouren op vervelend dichtgesausde dekens. Voor de schaduwen in de lichamen is er bijna altijd een doods grijs door de vleeskleur gemengd. En de vleestinten zelf zijn ook al vaak verkeerd gekozen: de naakte vrouw in De herfst (1908) is een geschilderde waarschuwing voor zonnebrand.

De meester van het zwart-wit wist duidelijk niet goed wat hij met kleur moest beginnen. Als schilder is hij het beste waar hij dicht bij zijn houtsneden blijft. In De rode kamer (1898) bijvoorbeeld doen de verschillende roden van stoelen, kleden, behang en gordijnen wat het zwart doet in zijn prenten: ze vormen het grote geheel van het interieur, dat ritmisch en vindingrijk wordt doorbroken door lichtaccentjes – en nu ook door schaduwlijntjes, want vanuit de rode middentoon kun je zowel de witte als de zwarte kant op.

Op de tentoonstelling in het Van Gogh Museum zijn zulke schilderijen uitzonderingen. Is het daarom een slechte tentoonstelling? Helemaal niet. Het is juist een goede tentoonstelling, omdat ze een eerlijk beeld geeft van Vallotton. Je ziet wat hij kon en wat hij niet kon. En alleen die beginzaal met de houtsneden is al een reden om te gaan kijken.