Het buurmeisje op klapschaatsen

In de winter van 1998 wordt heel Nederland verliefd op Marianne Timmer. De Groningse rijdt zich op de 1.500 meter van Nagano he-le-maal leeg, glijdt de omhelzing van coach Peter Mueller binnen en samen gaan ze dolgelukkig onderuit, bam, op het ijs. Goud en een wereldrecord. Timmer verrast iedereen die dag met een tijd van

Turijn 2006: zittend op het bankje op het middenterrein ziet Marianne Timmer op het scorebord dat ze heeft gewonnen.
Turijn 2006: zittend op het bankje op het middenterrein ziet Marianne Timmer op het scorebord dat ze heeft gewonnen. Foto ANP / Robert Vos

In de winter van 1998 wordt heel Nederland verliefd op Marianne Timmer. De Groningse rijdt zich op de 1.500 meter van Nagano he-le-maal leeg, glijdt de omhelzing van coach Peter Mueller binnen en samen gaan ze dolgelukkig onderuit, bam, op het ijs. Goud en een wereldrecord.

Timmer verrast iedereen die dag met een tijd van 1:57,58. “Timmertje, Timmertje, wat ga je doen?”, roept commentator Frank Snoeks halverwege al - woorden die bij de Nederlandse sporthistorie gaan horen als “Dit is een goed stel, hoor” van Theo Reitsma tijdens het EK voetbal van ‘88, en later “Hij stáát, ik sta” van Hans van Zetten tijdens de gouden turnoefening van Epke Zonderland in Londen. Woorden die ‘Timmertje’ haar bijnaam bezorgen.

Ook Snoeks, net na die race in Nagano, en ook in het collectieve geheugen gegrift: “Wat een gek kind, zeg. Wat ging die gek weg.”

Drie dagen later pakt ze haar tweede gouden medaille van die Spelen, op de 1.000 meter. Het is 19 februari, precies vier jaar na het ongeluk waarbij haar beste vriendin om het leven kwam.

Renske Venninga raakte op die dag na een training in Thialf met haar auto van de weg en ramde een boom. Negentien jaar oud, net als Timmer toen. Twee meisjes van oktober ’74, twee meisjes die een grote toekomst tegemoet leken te gaan. De ene helft ontmoette het noodlot, de andere helft houdt vier jaar later aan de andere kant van de wereld een boeketje bloemen tussen haar gevouwen handen terwijl het volkslied klinkt.

Timmer, dochter van een schapenhouder en een kapster, breekt in 1994 door met een derde plek bij het WK junioren en ontwikkelt zich in de jaren daarna tot een frisse twintiger om rekening mee te houden. Het laatste zetje richting de wereldtop komt in het seizoen vóór Nagano met de introductie van de klapschaats - waarmee ze haar kwaliteiten als lichtvoetige, technische sprintster optimaal kan benutten - en haar overstap naar coach Peter Mueller. De excentrieke Amerikaan heeft al vroeg goud op de Spelen voor haar in gedachten. De weg daarnaartoe verloopt echter niet zonder problemen: Mueller beult zijn leerlinge zodanig af dat de kritische Timmer liever met hem breekt. Hij kan dat ternauwernood voorkomen omdat de schaatsbond zijn kant kiest.

Dan: Nagano. Tweemaal goud voor de kwestbaar ogende, maar oersterke Timmer.

Natuurlijk kan het daarna alleen maar slechter gaan. Timmer vertrekt na de Spelen bij de ploeg van Mueller en sluit zich aan bij de Sanex-ploeg van Rintje Ritsma. In 2001 trouwt ze in Las Vegas wel met haar voormalige coach. “Het is niet uit liefde dat ik toehap”, schrijft ze later in haar biografie, “meer uit dankbaarheid, uit nieuwsgierigheid en ook uit een diepe innerlijke drang naar spanning.” Na twee jaar gaan de twee weer uit elkaar.

Sportief gaat het haar ook niet meer alleen maar voor de wind. Ze begint haar eigen Team Timmer, dat weer uit elkaar valt na diepe onenigheid met beoogd coach Wopke de Vegt. Op de Spelen van Salt Lake City in 2002 is een vierde plek op de 1.000 meter haar beste prestatie. Wel wordt ze in 2004 in Nagano wereldkampioen sprint.

Turijn, de Spelen van 2006. Wéér op 19 februari. Timmer is vijf dagen eerder - in haar ogen onterecht - gediskwalificeerd op de 500 meter na een valse start. Maar nu rijdt ze als vanouds. Ze zet de snelste tijd neer in 1:16,05. Met coach Jac Orie wacht ze op het middenterrein de resterende zeven ritten af. Beiden houden het bijna niet uit; Orie lijkt uit spanning steeds bijna zijn eigen keel dicht te knijpen. Anni Friesinger, de grootste bedreiging, gaat voor het oog heel hard in de laatste rit - zo hard dat Timmer in gedachten al akkoord gaat met zilver. Maar de Duitse haalt het nét niet. Timmer is olympisch kampioen, wéér, acht jaar na die magische winter van ‘98. En ze is de eerste Nederlander die goud wint op twee verschillende Winterspelen.

Daar blijft het ook bij, want de Spelen van 2010 mist ze na een zware val. Ze gaat nog een seizoen door om niet met die teleurstelling te eindigen, maar behaalt geen noemenswaardige prestaties meer. In het staartje van 2010 besluit ze te stoppen.

Timmer tijdens de huldiging van de 1.500 meter

Timmer tijdens de huldiging van de 1.500 meter in Nagano. Foto ANP / Marcel Antonisse

Meer nog dan andere sporters leek Marianne Timmer het kippenvel op de armen van Nederlanders te kunnen krijgen. Ze was je buurmeisje op klapschaatsen. Met “dat gekke kind” wilde je je wel identificeren, haar stuurde je graag naar andere landen om namens jou te schaatsen en te juichen. Je wilde wel met haar meehuilen op het podium, je wilde samen met haar op het ijs vallen zoals Peter Mueller in Nagano. Je wilde dat ze uitgeput om jóúw nek hing na zich totaal leeg te hebben geschaatst. Ze kon zo vertederen als ze dolblij haar handen in de lucht stak op het podium, terwijl de onderkant van haar frêle gezicht in de grote kraag van haar olympische jas verdween.

Je zou graag naast haar zitten op het middenterrein, zoals Jac Orie in Turijn, wachtend op concurrenten die haar nog kunnen verslaan. Samen kijkend naar het bord met de tijden, jullie handen zo strak om het hout van het kleine bankje geklemd dat de knokkels witter worden dan dat mutsje op haar hoofd.

En dat je dan steeds kan zeggen: zij haalt het niet, zij niet, en zij ook niet. Jíj wordt het, Marianne. Jíj wint goud. Kijk maar.