Ik ben vandaag: a) de blije baas b)bange werknemer c)zielige collega

Wie solliciteert voor een functie of zijn vaardigheden oefent, doet dat in een rollenspel // Degene voor je, is een acteur // Die moet goed kunnen improviseren // „Als je een te groot ego hebt, is trainingsacteren niet voor jou”

Dit is Anne. Een man met plannen, hij barst bijna uit zijn voegen van ambitie. Maar het leven zit hem een beetje tegen de laatste tijd. Zijn werkgever, een waterschap, reorganiseert rap en Anne Cremer is niet zo goed met verandering. Zijn vrouw Marjan is startend zzp’er, dat legt druk op het gezin. En dan is er nog collega Hans, nieuw op de zaak en een doorn in Annes oog. Zijn werk lijdt eronder. Tijd dus voor een hartig gesprek met de baas.

„Anne, goed dat je er bent. Ga lekker zitten.”

(Oh, en nog goed om te weten: Anne bestaat niet.)

„Dank je”, zegt Anne. Hij schuift zijn stoel aan, en kijkt afwachtend naar Marcia, vandaag directeur. „Zo”, zegt zij, „we moeten het eens over je vorderingen hebben.” Anne vouwt zijn armen defensief over elkaar en leunt achterover, duidelijk op zijn hoede. „Ik ben benieuwd.”

‘Anne’ is een personage. Hij wordt vandaag gespeeld door acteur Rinco van der Baan (50). Marcia, veertiger, is een echte sollicitant, voor een echte directeursfunctie (geen waterschap). Locatie: werving- en selectiebureau Ebbinge & Company. Dit rollenspel, onderdeel van een assessment, is cruciaal voor Marcia’s kansen.

Het gesprek verloopt stroef. Anne wil elke vrijdag thuiswerken, maar dat wil Marcia niet toezeggen. „Je moet begrijpen dat ík hier de baas ben. Ik beslis.” Anne rolt met zijn ogen.

Acteurs zoals Van der Baan (Anne dus) worden door de hele bedrijfswereld gebruikt. Voor assessments, sollicitaties, trainingen, teambuildingsessies, workshops. Zogeheten trainingsacteurs bootsen situaties uit de werkelijkheid na, zijn de boksballen waarop werknemers kunnen oefenen voor de echte wereld.

Er zijn ongeveer vijftien bureaus met bedrijfsacteurs in Nederland. Buro Acting, het bedrijf van Van der Baan, is daar één van. Enkele andere bureaus zijn verenigd in brancheorganisatie Boact. „Het is een serieuze beroepsgroep”, zegt voorzitter Jos van der Steen. „Er zijn zeker 1.500 acteurs die dit als voornaamste werk doen, en nog veel meer die het erbij doen.”

Wie zijn zij? En hoe moet je je inleven in een zakelijke rol als je zelf nooit in de bedrijfswereld hebt gewerkt?

„Je bent in de eerste plaats acteur”, zegt Peter Timmers (51), directeur van Buro Wittenburg in Doetinchem en zelf trainingsacteur. „Bij ons moeten ze een toneelopleiding hebben gedaan. We selecteren op cv en kijken of ze écht goed kunnen spelen.” Het belangrijkste criterium: „Improvisatietalent.” Er is geen script, er zijn geen takes, en elke keer zit er iemand anders tegenover je die anders reageert. „Niet alle acteurs kunnen dat”, zegt Timmers. „Als je een te groot ego hebt, jezelf niet weg kunt cijferen, dan is trainingsacteren niet voor jou.”

Echte emoties

Trainingsacteren is een kunst, maar wel functionele kunst. In plaats van dat de acteurs dialogen uit een script instuderen, moeten ze zich verdiepen in de bedrijfscultuur. „Elk bedrijf heeft zijn eigen mores, taalgebruik en bijzonderheden”, zegt Timmers. „De kunst is dat de kandidaat vergeet dat er een acteur tegenover hem zit, dat hij gelooft dat het echt de baas is, of die ene lastige klant.”

Maar hoe doe je dat als je zelf een acteursopleiding hebt gevolgd? „Je moet het zakelijke jargon in de vingers zien te krijgen”, zegt Van der Steen. „Bedrijfsfilmpjes kijken, managementboeken lezen. Door bij bedrijven ervaring op te doen leer je het wereldje rap kennen.” Huiswerk is deel van het werk van de acteurs: afhankelijk van de klus zullen zij zich moeten bekwamen in ondernemingsstructuren, verdienmodellen, beursbewegingen, wetsartikelen.

Terug naar Ebbinge. De spanning is al wat uit de lucht. Marcia en Anne hebben een verstandhouding weten te creëren. „Ik begrijp je situatie wel, Anne”, knikt de potentiële directeur, „daar moeten we inderdaad iets aan doen.”

Als je het gesprek tussen de twee volgt, vergeet je dat dit slechts een gespeelde werkelijkheid is. De emoties voelen echt, en deze Anne lijkt in de verste verte niet op de aimabele acteur die zich vóór het gesprek voorstelde. Eigenlijk herinnert alleen Oscar de Lint, consultant bij Ebbinge, aan de fictie: die zit erbij en pent mee, af en toe op zijn horloge kijkend.

Na een half uur is het voorbij. Een seconde nadat de kandidaat de kamer heeft verlaten is Van der Baan weer terug. Je ziet het direct. Hij draagt dezelfde kleren (maatpak, das, schoenen van glanzend leer), zijn stem klinkt niet anders, en toch: er is een verschil. Anne is verdwenen.

Er wordt overlegd. Het oordeel van de acteur over de kandidaat is zeer belangrijk, zegt consultant De Lint. „Die kijkt iemand diep in de ogen, die ziet of gezichtsuitdrukking en lichaamstaal stroken met wat hij zegt.”

Trainingsacteren schuurt op die manier dicht tegen coaching aan. De acteurs moeten zich bekwamen in psychologische theorie en communicatiemodellen, zegt Jos van der Steen. „Elk assessment en elke training kent een eigen doel. Als acteur moet je ervoor zorgen dat je het juiste bij de kandidaten naar boven haalt, dat je de eigenschappen op de proef stelt die belangrijk zijn voor deze specifieke opdracht.”

Personages zoals Anne Cremer zijn dan ook tot in de puntjes uitgedacht. Zelfs de naam is niet toevallig gekozen: Anne kan door een mannelijke én een vrouwelijke acteur vertolkt worden. Zo zijn er bijvoorbeeld ook:

Wil Termaat.

Ger Stalens.

Sanne Griffier.

Chris Houtman.

Allemaal andere karakters met een andere achtergrond en andere ambities. Welk personage wordt gebruikt, hangt af van de kandidaat en de vacature. Veelzijdigheid is dan ook enorm belangrijk voor de acteurs. Bij de politie – die zo’n 250 trainingsacteurs per jaar verslijt – wordt heel wat anders verwacht dan strak in pak bij, zeg, een bank.

De nieuwe Al Pacino

Buro Wittenburg, één van de grotere van Nederland, heeft zo’n honderd trainingsacteurs in het bestand: pas afgestudeerden – die soms die avond nog bij een voorstelling op de planken staan – maar bijvoorbeeld ook een dame van in de zeventig. Directeur Timmers: „Al zou dat eigenlijk niet uit moeten maken: een goed acteur van vijfentwintig kan ook een oma spelen, en een man of een vrouw.”

Vroeger werd er in de toneelwereld nog een beetje gelachen om trainingsacteerwerk, vertelt Timmers, „maar dat is inmiddels al lang niet meer zo”. Veel theateropleidingen bieden inmiddels vakken of zelfs hele minors trainingsacteren aan. „Elke jonge acteur droomt er natuurlijk van om de nieuwe Al Pacino te worden”, zegt Van der Baan. „maar ik zal je vertellen: ik ken trainingsacteurs, die zijn briljant.”

Van der Baan speelt net zo gemakkelijk een professional als Anne Cremer, als dat hij de rol van junk vertolkt, of van overvaller, boze baas, gevangene, lastige klant, patiënt.

Wat ze bij Ebbinge van Marcia vonden? Niet slecht, zegt Van der Baan, maar ze was wel wat verkrampt. De Lint knikt. „Niet opgewassen tegen Anne. Als hij een probleem heeft, dan belt hij haar en dan lost zij dat voor hem op.”

Naast Marcia gaan er nog twee directeuren de confrontatie met Anne aan. Eén bakt er helemaal niets van (Hij: „Anne, nu moet je je mond houden.” Anne: „Daar reageer ik helemáál niet goed op.”). De ander, een man met veel ervaring en een donderende basstem, doet het lang zo gek nog niet. Na dat gesprek zijn De Lint en Van der Baan tevreden. „Hè hè, eindelijk iemand die je gewoon thuis laat werken.”