denken @nrc.nl

Integriteit kun je niet testen of aanleren

zegt Reginald Tan, assessmentpsycholoog, uit Amsterdam

Gemeenten moeten meer aandacht besteden aan de integriteit van raadsleden, zei Peter Otten, voorzitter van de beroepsvereniging van raadsleden afgelopen weekend. Dat is helemaal waar, gezien de incidenten rond raadsleden die we regelmatig in het nieuws zien verschijnen.

Maar de voorgestelde wijzen waarop het schenden van integriteitsbeginselen teruggebracht zou moeten worden, zijn naïef. Otten bepleit training van raadsleden in omgaan met dilemma’s, verklaringen van goed gedrag en assessment van raadsleden op integriteit. Dat lijken wellicht allemaal aardige oplossingen, maar ze zullen in de praktijk hooguit leiden tot schijnzekerheid.

De verklaring van goed gedrag komt misschien nog dichtst bij het doel. Want van iemand die geen verklaring van goed gedrag kan overleggen kun je je terecht afvragen of hij/zij als volksvertegenwoordiger geen risico vormt.

Het trainen van integriteit zal ook niet werken. Integriteit is niet aan te leren. De keuze om te beslissen zich al of niet aan de gedragsregels te houden is aan het raadslid zelf.

Het kunnen beoordelen van integriteit door middel van tests is daarnaast ijdele hoop. Zelfs het inschatten van de kans dat iemand wellicht misbruik zal maken van zijn positie, is een illusie. We kunnen veel competenties en eigenschappen van potentiële raadsleden in kaart brengen: stressbestendigheid, flexibiliteit en cognitief vermogen bijvoorbeeld. Die kwaliteiten zijn nog allemaal wel te meten. Maar integriteit? Dat kun je niet door middel van een test of vragenlijst bepalen.

Hoe zorgen we er dan wel voor dat volksvertegenwoordigers op een zuivere manier omgaan met hun ambt en de daarbij geldende gedragsregels? Daar is maar één antwoord op: genadeloos afstraffen. Leden die zich niet aan de eed of belofte houden die ze bij hun aanstelling als raadslid gedaan hebben, moeten aftreden.