Steden bouw je met emotie

David van der Leer maakte pijlsnel carrière in New York. Voor het Guggenheim Museum leidde hij een bijzonder project: op zoek naar de toekomst van wereldsteden.

Het Guggenheim Lab in Mumbai, in een mobiel paviljoen van bamboe.
Het Guggenheim Lab in Mumbai, in een mobiel paviljoen van bamboe.

Waarschuwing vooraf. Deze tekst is niet geschikt voor cynische lezers. Succesverhaal. American Dream. Hier is: David van der Leer (34), opgegroeid in Zwijndrecht, gestudeerd in Rotterdam. Kort daarna: ‘associate curator’ architectuur in het Guggenheim Museum, New York. En nu, ook ‘op Manhattan’, directeur van Van Alen Institute, prestigieuze ‘denktank’ voor de ontwikkeling van de bebouwde omgeving.

Snel carrière gemaakt: geluk gehad?

„Zo gaat dat in de VS. Leeftijd doet er niet zo toe. Als je lange werkweken maakt, leer je snel veel mensen kennen. Vervolgens kan je het geluk treffen dat je op het juiste moment op de juiste plek bent – dat je opvalt, kansen krijgt.”

Reden voor dit gesprek, per Skype, is de afsluiting van een drie jaar durend project dat David van der Leer samen met een Guggenheim-collega heeft geleid. Een ‘urban lab’. Voluit: BMW Guggenheim Lab.

BMW als hoofdsponsor?

„BMW als initiatiefnemer, zelfs. In 2008 kwamen ze bij Guggenheim met een idee voor een project: ‘Wij willen samen met jullie iets doen met architectuur en stadsontwikkeling. Hoe gaat dat dan?’ De directie zei: ‘Maak snel een ambitieus voorstel’. Wij zaten net voor de opening van een grote Frank Lloyd Wright-tentoonstelling, een hectische tijd. We hebben snel iets groots in elkaar gedraaid en nauwelijks nagedacht over het wat en hoe.”

En de ambitie was?

„Wij vonden: als het over stedelijke ontwikkeling gaat, moeten we buiten de muren van het museum treden. Dan trekken we ook echt de steden in, de wereld in. Ons idee was: we gaan naar steden in drie werelddelen, en daar naar verschillende stadswijken, om de bewoners met allerlei specialisten – architecten, kunstenaars, ondernemers, enzovoort – onderzoek te laten doen en met elkaar in debat te gaan. Zo hebben we tientallen lab-sessies kunnen organiseren met een spannende mix van deelnemers: in New York, in Berlijn en in Mumbai.

Lab-sessies waarover?

„In Mumbai ging het vooral over het thema privacy. En dan niet over de NSA. Centrale vraag was: hoe ervaar je het dagelijks leven als je met veel mensen op weinig vierkante meters woont, in vaak slechte behuizing, met alle problemen van sloppenwijken voortdurend om je heen? In Mumbai werkten een kunstenaar uit Mexico, een Engelse demograaf met ervaring in Malawi, een Nederlandse architect/planner – Neville Mars – en een lokale planoloog uit Mumbai. Zij zijn in gesprek gegaan met mensen van arm tot rijk, uit zeer verschillende buurten van Mumbai. Het werd een geweldig inspirerende uitwisseling van ervaringen en ideeën, waarin vooral ook grote cultuurverschillen aan de orde kwamen. Dan leer je: dicht op elkaar wonen, is niet voor iedereen en onder alle omstandigheden een groot probleem.”

Was dat de voornaamste conclusie?

„Wat je hier ziet, is de grote rol die emotie kan spelen om tot interessante visies te komen. Mensen zijn echt vergroeid met hun buurt, met hun eigen plek in de stad, met hun mede-buurtbewoners. Ik had me dat nooit zo gerealiseerd; ik ben zelf nogal vaak verhuisd.”

En dus?

„Zouden stadsbesturen en projectontwikkelaars beter moeten luisteren naar wijkbewoners, écht in gesprek met hen gaan en samenwerken om buurten, en daarmee steden, verder te ontwikkelen.”

Maar vaak is hard ingrijpen noodzakelijk, om verpaupering tegen te gaan, eenzijdige ontwikkeling van de bevolkings- samenstelling te doorbreken, toch?

„Soms wel, ja. Maar té vaak zijn wijken letterlijk ontstaan of gerenoveerd vanaf de tekentafel, met allerlei theorieën. Daaruit is een doods suburbia gegroeid, waarin weinig mensen gelukkig zijn geworden.”

Dan liever geleidelijke verhipping, ‘gentrification’, zoals Meat Packing District in New York, de Jordaan in Amsterdam?

„Eerlijk gezegd ben ik daar evenmin fan van. Dan zie je vooral dat mensen met meer geld de prijzen van onroerend goed opdrijven, waardoor de oorspronkelijke bewoners naar treuriger plekken worden verdreven. Per saldo schiet een stad als geheel daar weinig mee op.”

Praten, samenwerken met buurtbewoners – is dat genoeg om buurten sociaal en economisch weer tot leven te wekken?

„Het is een methode, zoals er meer methodes denkbaar zijn. Hier bij Van Alen Institute zijn we net een project begonnen om lichaamstaal, gedrag van mensen, te analyseren. Hoe bewegen ze zich in de publieke ruimte: hoe kijken ze, hoe snel of langzaam lopen ze, hoe vaak en hoe lang zijn ze met elkaar in gesprek? Bewust en vooral onbewust laten mensen zich beïnvloeden door de omgeving waarin ze verkeren. Meer kennis van die wisselwerking kan de kwaliteit van de bebouwde ruimte versterken.”

Heb je je nieuwe baan te danken aan de ervaring bij het ‘urban lab’?

„Dat speelt zeker een rol, ja. Van Alen Institute, dat zich eerst vooral op architectuur richtte, kijkt nu veel breder – niet alleen naar gebouwen, óók naar de ruimte, het landschap waarin de bebouwing staat en hoe die interactie aangaat met mensen en de natuurlijke omgeving.”

Bijvoorbeeld?

„Na de overstromingen door de orkaan Sandy, najaar 2012, zit de schrik er goed in, hier aan de Amerikaanse noordoostkust. De federale overheid heeft opdracht gegeven na te denken over allerlei vormen van waterhuishouding. Daarvoor is de competitie Rebuild By Design uitgeschreven, waarin we met tien verschillende teams plannen ontwikkelen.

„Het is trouwens een Nederlander, Henk Ovink, die dit project leidt als adviseur van de federale regering. Het is goed om in veel van de teams ook Nederlandse experts te zien: ingenieurs, architecten, landschapsarchitecten.

Hollands Glorie?

„Zeker, Nederlanders doen het goed in deze cultuur: goed opgeleid, ondernemend, goed in samenwerken. Veel zelfvertrouwen. In Nederland mis ik dat wel eens. Daar ben ik Schiphol nog niet af of ik heb al tien keer het woord ’crisis’ gehoord. Er zijn grote problemen, maar continu praten over crisis lijkt me remmend. Nederlanders mogen Amerikanen misschien wat naïef vinden, maar ze blaken van energie en optimisme. Kunnen Nederlanders wat van leren.”