Nederlandse moslims, neem stelling tegen de jihadisten

Nederlandse jihadstrijders komen ooit terug uit Syrië – tot alles bereid. Ibrahim Wijbenga roept de moslimgemeenschap op tot actie.

Het groeiende aantal geradicaliseerde jihadjongeren, nu inmiddels een hele compagnie vechtend aan het front in Syrië, vraagt om een duidelijk antwoord van de moslimgemeenschap en met name vanuit salafistische hoek. Ze vormen met hun intolerante, vaak gewelddadige opvattingen niet alleen een gevaar voor onze samenleving, maar ook voor de moslimgemeenschap.

De islam wordt door toedoen van deze marginale minderheid, hooguit een paar honderd jongeren, steeds meer geïdentificeerd met onverdraagzaamheid, agressie en geweld.

Daar komt bij dat een aantal in Syrië aan de zijde van Al-Qaeda strijdende jihadjongeren na verloop van tijd weer terugkomt. Gepokt en gemazeld in de strijd; tot alles in staat om als martelaar voor hun opvattingen te sterven.

De moslimgemeenschap dient stelling te nemen tegen het jihadisme. Zij kan niet aan de zijlijn blijven staan en op een paar uitzonderingen na passief toekijken.

Om te beginnen zou er een breed samengesteld platform moeten komen dat stelling neemt tegen het oprukkend jihadisme. In dit platform zouden religieuze leiders, landelijke en lokale politici en andere opinion leaders zitting moeten hebben.

Zij vormen tezamen de stem van de zwijgende moslimmeerderheid die het jihadisme weliswaar veroordeelt maar zich in stilzwijgen hult. Er dient onder de regie van dit platform een netwerk te komen dat geradicaliseerde jihadjongeren vroegtijdig in kaart brengt en actie onderneemt. Hierbij zouden ouders en moskeebesturen gezamenlijk moeten optrekken zoals dat destijds bij de Hofstadgroep gebeurde. Nu staan de ouders er doorgaans alleen voor en laten moskeebestuurders hen in de kou staan.

Als er al aandacht aan wordt besteed komen zij meestal niet verder dan een vrijblijvende, in wollige taal verpakte stellingname waarmee de moslimgemeenschap geen kant uit kan. Met deze vrijblijvendheid geven de moskeebestuurders zichzelf een brevet van onvermogen.

Juist deze hoeders van het islamitisch gedachtengoed zouden de op intolerantie en geweld gebaseerde jihadinterpretatie van ons geloof moeten veroordelen. Ook de lokale autoriteiten moeten hierbij worden betrokken. Gemeente, politie en justitie worden in toenemende mate geconfronteerd met door jihadjongeren veroorzaakt geweld en overlast, en kunnen de kennis en ervaring van de moslimgemeenschap gebruiken.

Extra aandachtspunt moet de invloed van internet en sociale media op geradicaliseerde moslimjongeren zijn. Terwijl radicale, vaak vanuit het buitenland opererende jihadgroeperingen deze media optimaal benutten bij de verspreiding van hun semi-salafistische gedachtengoed, beperken moskeebesturen zich tot de traditionele vrijdagpreek die hooguit een paar honderd gelovigen bereikt.

Een reden temeer om het internet en de sociale media te benutten is dat jihadjongeren niet in de moskee komen en doorgaans maatschappelijk geïsoleerd zijn. Hun enige band met de islam zijn door jihadgroeperingen beheerde internetsites en sociale media. Met alle brainwashing vandien: jonge moslims worden niets ontziende jihadstrijders die tot alles in staat zijn.

De aanpak van het jihadisme vraagt om betrokkenheid, actiebereidheid en inventiviteit van de moslimgemeenschap. Als dit engagement er niet is, verzaken we onze religieuze en maatschappelijke plicht. We laten de strijd tegen het jihadisme dan aan anderen over, terwijl we zelf passief aan de zijkant blijven staan.