Dit paard kon écht rekenen. Of toch niet?

Lezen // Beloftevol debuut Pauline Genee Duel met paard Querido, 251 blz. € 19,95 3

Pferdeschwindel, mokt de menigte. Paardenzwendel! Het moet een truc zijn: een seintje. Het paard geeft precies het juiste aantal hoefklopjes, als antwoord op rekensommen. Foutloos telt hij drie op bij zeven, en deelt hij vijfhonderd door tien. Niemand gelooft écht in het bestaan van Slimme Hans, het paard dat kan rekenen, maar heel Berlijn loopt uit om hem in actie te zien.

Dat beschrijft debutante Pauline Genee in bloemrijke formuleringen, met gevoel voor retoriek; het plezier dat de schrijfster moet hebben gehad met het tekenen en inkleuren van het Berlijn van 1904 spat ervan af. Ze vertelt bovendien een boeiend verhaal met een intrigerende plot – want hoe dóet-ie ’t, dat rekenpaard? Oók boeiend voor wie zijn verhaal al min of meer kent, uit de psychologie, waar het Kluger Hans-effect handboekmateriaal is.

Paard Hans werd beroemd, zijn leraar Wilhelm von Osten veel minder. Hij is de tragische held in Duel met paard: het is zijn vurige missie om niet als kermisklant, maar als revolutionair gezien te worden. Hans is geen wonderdier, maar een pedagogische prestatie!

Het verhaal wordt in gang gezet door de gesjeesde Italiaanse portretschilder Emilio Rendich, die euforisch is als hij Hans ziet rekenen. Hij schakelt bevriende wetenschappers in, maar je voelt dat je zijn enthousiasme ook moet wantrouwen: Rendich is iemand die wel érg open staat voor de zinderende moderniteit. Door er in wezen een duel tussen behoudzucht en moderniteit van te maken, geeft Genee de strijd om de paardenwaarheid diepte.

Dat het voor Von Osten niet best zal aflopen, zien we aankomen. Dat is geen bezwaar, maar een Thomas Rosenboom-achtig vermogen om een tergende, tragische ontgoocheling te beschrijven, bezit Genee nog niet. Zij bewandelt een weinig overtuigend zijweggetje in Rendichs verhaal. Dan is het personage Von Osten beter gelukt, want al klinkt de bron van zijn bewijsdrang wat bedacht (het is een afrekening met zijn hardvochtige jeugd), het voelt natuurlijk aan.

Het is niet ondenkbaar dat Genee op weg is naar het niveau van Rosenboom of Rascha Peper – met haar werk deelt Duel met paard het vlotte tempo. Maar soms benoemt Genee nog wel erg veel (‘Von Osten was behalve verbaasd vooral boos geweest en teleurgesteld’) of verliest ze de controle over haar metaforen (‘ochtendschemer haakte vochtig aan de stenen’). Maar toepasselijk genoeg schuilt juist in de kleine bewegingen een beloftevolle schrijfster. Met gevoel voor humor laat ze al in het eerste hoofdstuk, ‘voor wie goed keek’, de Berlijnse paarden met ‘hun loom schuddende hoofden soms bedenkingen aantekenen’, bij de moderne tijd. Opmerkzame paarden, veelbetekenende kleinigheden.