Opinie

Zelfwantrouwen

Maandag is een Rotterdamse dag. Een dag voor zware arbeid. Flink aanpakken, hemdsmouwen opgerold, dauwtrappen, ondernemen, waarde vermeerderen, miljardeninvesteringen op financiële gronden terugtrekken uit ontwikkelingslanden, kanker genezen en patent aanvragen. Muscle Monday. Het is niet helemaal mijn dag. Laten we vandaag de schijn voor één keer niet ophouden. De schijn van objectiviteit en actualiteit. De illusie dat mijn commentaar maandagse allure heeft. Want helpen we hier op deze plek wekelijks het nieuws vooruit, met dat handjevol argumenten van mij en dat stuk of wat bedenkingen bij andermans bestaan? Welnee. Trek een stoel bij. Verplaats u in uw rol van personeelsmanager achter uw kop koffie uit de automaat en vraag: „Hoe vind je zelf eigenlijk dat het gaat?” Eerlijk gezegd? Ik weet het niet.

Tien jaar geleden las ik het artikel Crossing Economics van de econoom Deirdre McCloskey; ze vertelde daarin hoe haar standpunten waren verschoven nu ze sinds vier jaar niet langer als man leefde maar als vrouw. Alles was opeens anders. Niet dat ze een hersentransplantatie – brain switch – had ondergaan, haar geloof in de markt was bijvoorbeeld onaangetast en ze was nog steeds kwantitatief ingesteld. Maar de waarden die in de economie centraal staan hebben nu eenmaal zo hun politieke en sociale dimensies – en op dat punt waren de dingen veranderd. Al wist ze niet precies hoe.

In ieder geval was in haar economisch denken gaandeweg de belangstelling geslopen voor menselijke motieven die verder gaan dan de ratio of prudentia alleen; verder dan zo veel mogelijk geld en kinderen willen verzamelen. De econoom McCloskey had oog gekregen voor de liefde. Niet langer Prudence über Alles: ze besefte nu hoe belangrijk het is te streven naar evenwicht en naar een diversiteit aan deugden, de zondagse en de doordeweekse samen. Een streven dat ze overigens ontleende aan Adam Smith.

Het is niet duidelijk in hoeverre die wijsheid van Adam haar nu raakte omdat ze eindelijk toekwam aan haar vrouwelijke identiteit. Zo simpel liggen die zaken niet. Maar ze voelde kennelijk iets schuiven en datzelfde voel ik nu schuiven; het is te merken hoe het houvast verdwijnt en hoe alles verandert. En omdat ik de weg van Deirdre McCloskey in omgekeerde richting bewandel en omdat ik toegeef aan mijn mannelijke identiteit, zou je gemakkelijk kunnen denken dat ik nu naar de kant beweeg van de prudentia, de ratio en het eigenbelang, maar dat is niet zo.

Op de televisie suggereren programma’s tegenwoordig dat je geslachtelijke identiteit een kwestie is van operaties in de schaamstreek. Laatst zag ik een filmpje voorbijkomen over een Duitse topatleet. Die had zijn lichaam laten aanpassen aan zijn mannelijke zelf en het filmpje kwam met de opzienbarende suggestie dat zijn baard was gaan groeien door een operatie aan zijn tere delen. Een ander televisieprogramma bracht een criticus tot een al even wonderlijke conclusie. „De verandering van geslacht begint ziekenhuisgewijs met de verwijdering van de baarmoeder”. Een bewering die niet alleen mentaal en juridisch, maar zelfs ‘ziekenhuisgewijs’ kolder is.

Hoe sensationeel het medische knippen en plakken verder ook moge zijn, het is op geen enkele manier relevant voor wat schuift, wat wankelt en wat kentert in het denken. Wat kentert er dan? Ik weet het niet. Iets. Iets verandert. Je eigen woorden krijgen een nieuwe interpretatie en andermans woorden ook. Dat leidt tot nieuwe inzichten. En dat komt dan – naast de hormonen – vooral door de sociale en politieke dimensies van het bestaan.

Wat ik voel schuiven is niet veel anders dan wat er schoof in McCloskey. Ook ik verlang nu nog sterker naar evenwicht en ik heb, kort gezegd, in toenemende mate minder geduld met de maandag. Met de exclusieve focus erop tenminste. Al die maandagse manageriële ijver in beleidskringen en klinieken zou moeten worden ingebed in zondagse bezinning en in al die bonte doelen en deugden van de andere doordeweekse dagen.

Zo schuift en kantelt alles in me en ik vertrouw mijn eigen denken niet. Want wat is dat voor geschuif en wat schiet u daarmee op? Hoe betrouwbaar is mijn inbreng nog? Is morgen alles weer anders? Het is maandag, u kijkt me aan met de strenge blik van de personeelsmanager, ik geef u een gedicht uit 1978 van Jur Oskamp. ‘Wij hebben hem / met zijn allen / van de brug geduwd // de hoogste. // Roerloos zoefde hij herwaarts / de armen strak langszij / totdat // watertoren bomen pier en visserman / hadden zich prachtig prachtig / aan hem voorgedaan // hij tenslotte toch nog / zwaaiend het geluid passeerde.’

Hoe vind ik het zelf hier eigenlijk gaan? Ik weet het niet.