Ja, toch een goed idee: zwarte lijst voor foute kledingbedrijven

Minister Ploumen had gelijk: brandmerk kledingbedrijven waarvan de fabrieken onveilig zijn, schrijven Ineke Zeldenrust en Daniëlle Hirsch.

In Bangladesh kwamen in april 2013 meer dan twaalfhonderd mensen om in de kledingfabrieken in het Rana Plaza gebouw. Vijftien Nederlandse winkelketens en bekende merken hebben sindsdien het internationale Bangladesh Veiligheidsakkoord ondertekend. Ze garanderen daarmee onafhankelijke inspecties van de fabrieken waarin hun kleding wordt gemaakt en het (mee)betalen aan de reparatie van geconstateerde gebreken in fabrieken.

Een aantal Nederlandse kledingbedrijven zoals Scapino, Mexx, Bristol en Hunkemöller schittert nog steeds door afwezigheid op de lijst van de Bangladesh Accord Foundation. Voor hen is het na de ramp business as usual gebleven. Dat kan, omdat er geen wettelijke regeling is die hen ook maar ergens toe dwingt.

Wij vinden het daarom volkomen terecht dat minister Ploumen van Internationale Handel, die zich heeft opgeworpen als strijder voor de rechten van de Bengaalse kledingarbeiders, in november de namen heeft genoemd van een aantal bedrijven dat op dat moment nog niet meedeed aan het Veiligheidsakkoord. Door duidelijk te maken welke bedrijven wel, en welke niet meedoen, kan de consument afwegen waar hij/zij kleding koopt. Een zwarte lijst, waar directeur Kahn van CoolCat zo razend over werd, is dus eigenlijk een heel goed idee. Helaas zijn er nog geen wettelijke maatregelen die alle bedrijven verplichten de internationale arbeids- en veiligheidsnormen, die in Nederland heel normaal zijn, ook in andere landen na te leven. Minister Ploumen heeft het Bangladesh Veiligheidsakkoord actief en publiekelijk gesteund. Bedrijven nemen het zo eerder serieus, maar er is een groot nadeel: het is alleen bindend voor de ondertekenaars. Er is geen sanctie mogelijk tegen bedrijven die er niet aan mee willen doen.

Wij vinden dat minister Ploumen eigenlijk niet anders kan dan hardop zeggen wie het akkoord wel en wie het niet heeft getekend. Sterker nog: je zou kunnen zeggen dat ze in gebreke blijft wanneer ze dat niet doet. Want waar de wettelijke verplichting ontbreekt, blijft alleen druk van het publiek over die bedrijven kan bewegen te tekenen. Gebeurt dit niet dan gaat de ellende gewoon door.

Van consumenten verwachten we een bewuste keus, maar de informatie die ze daarvoor nodig hebben is niet beschikbaar. Op een kledingstuk staat hooguit het land vermeld waar het eindproduct in elkaar is gezet. Dat zegt niets onder de omstandigheden waaronder de kleding is geproduceerd en al helemaal niets over eerdere fases in het productieproces. Eigen gedragscodes van het bedrijfsleven, zoals die waar CoolCat zich eind 2013 nog even snel bij heeft aangesloten, bieden geen oplossing. Het zijn juist dat soort slager-keurt-eigen-vlees-gedragscodes waar we vanaf moeten.

Het Veiligheidsakkoord is gewoon beter: onafhankelijke inspecties, transparantie door de publicatie van de inspectierapporten en betrokkenheid van werknemers. Die kunnen de inspectierapporten inzien en controleren of de reparaties in fabrieken echt worden uitgevoerd. Zolang bedrijven zo’n akkoord niet tekenen, mogen ze van ons op een zwarte lijst. Dan kan de minister ook met een gerust hart zeggen dat ze erop staan.

Het is niet te hopen dat het inkijkje in de directiekamer van CoolCat door het Varaprogramma Rambam illustratief is voor de houding van het bedrijfsleven. Bedrijven die een dergelijke pitbullmentaliteit tonen zitten minister Ploumen in de weg. Haar beleid steunt juist op een belangrijke bijdrage van internationale handel aan ontwikkelingssamenwerking. Doen ze niet mee dan rest wat ons betreft de zwarte lijst.