Mag de zoon de huur van zijn overleden moeder overnemen?

De Zaak. Een 94-jarige weduwe overlijdt in een verpleeghuis, enige maanden na haar vertrek uit haar huurwoning. Zij woonde daar ‘vele decennia’ met haar eerder overleden man en haar jongste zoon, voor een maandbedrag van 277,64 euro. Er is geen schriftelijk huurcontract.

De moeder was de huurder. De eigenaar van het huis wil het huis niet doorverhuren aan de zoon en eist het huis leeg terug. De zoon doet bij de rechter echter een beroep op het recht voor samenwoners om het huis te mogen blijven huren. De kantonrechter gaf de verhuurder gelijk, even als het gerechtshof. De zoon probeert nu in cassatie, de Hoge Raad te overtuigen.

Waarop baseert de zoon zijn aanspraak? In artikel 268 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek staat het recht om huurder te worden voor degene die „in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad”. De zoon zegt dat hij daaraan voldoet.

Nadat hij meerderjarig werd is de zoon namelijk nog 38 jaar bij zijn ouders blijven wonen. Hij is nu 56. De zoon voert aan „dat hij samen met zijn moeder de woonkamer gebruikte, zij daar onder andere samen televisie keken, samen de maaltijden gebruikten en elkaar verzorgden. Eerst de zorg van de moeder voor de zoon en toen dat niet meer ging heeft hij voor zijn moeder gezorgd. Zij takelde steeds verder af en hij heeft haar steeds meer taken uit handen genomen”.

De zoon zegt ook „klusjes” te hebben gedaan en met zijn moeder „dingen te hebben ondernomen”. Maar hij betaalde kennelijk niet mee aan de huur of aan het huishouden. De financiële zaken van zijn moeder werden behartigd door haar haar bewindvoerder, haar schoondochter. Die overigens naast haar woonde.

Wat vindt het Hof hiervan? Voor een ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ is toch meer nodig. Eigenlijk is de zoon steeds het kind in huis gebleven. De man heeft zich vooral láten verzorgen. Klusjes in huis doen en samen iets ondernemen, spreekt dat ook niet tegen. Van ‘wederkerigheid’ is te weinig sprake geweest om van een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen spreken. Dus mag hij de huur ook niet voortzetten.

Is de Hoge Raad het daarmee eens? Zeker. Als een meerderjarig kind bij zijn ouders blijft, is dat doorgaans een ‘aflopende situatie’. Alleen in bijzondere omstandigheden kan er een duurzame gemeenschappelijke huishouding worden aangenomen. Het Hof heeft verder keurig naar alle feitelijke omstandigheden in deze zaak gekeken en die goed gemotiveerd en voldoende begrijpelijk afgewogen. De zoon mag dus niet het huurcontract overnemen.