De PvdA is geen linkse partij meer

Afgelopen weekend hield de PvdA haar congres. Het is een partij die niet langer de economische machtsstructuren ter discussie stelt, maar met de rug naar de toekomst staat en uitvoering geeft aan de liberale agenda van de VVD, aldus Niels Feitsma.

Illustratie pavel constantin

Het vertrek van Jan Pronk uit de PvdA, inmiddels al weer meer dan een half jaar geleden, heeft niet geleid tot een discussie over de koers van die partij. Dat zegt niet alleen iets over Jan Pronk – blijkbaar is hij niet meer zo belangrijk voor de PvdA als hij vroeger was – maar ook iets over de PvdA. Deze partij is in de loop der jaren immers steeds verder naar rechts opgeschoven. Er is een tijd geweest waarin het ondenkbaar was dat de PvdA in een kabinet met de VVD zou samenwerken. Inmiddels kijken wij daar eigenlijk niet meer van op.

Links is in crisis, ook in omringende landen. Het imago van linkse partijen is bovendien slecht. De econoom Hans de Geus merkte enige tijd geleden in De Groene Amsterdammer terecht op dat de term ,,hervormen’’ tegenwoordig gegijzeld is door rechts. Vakbonden, en partijen als SP en PvdA, zouden krampachtig vasthouden aan verworvenheden uit het verleden. Zij zouden geen antwoord hebben op vergrijzing en globalisering en allerlei noodzakelijke veranderingen tegenhouden.

Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan? De Britse historicus David Caute schreef in zijn in 1966 verschenen werk De linkse traditie in Europa dat de dynamiek uit een linkse beweging verdwijnt zodra zij zich tevreden gaat stellen met het bereiken van beperkte resultaten op het gebied van de herverdeling van de welvaart.

Caute benadrukte dat de sociaal-economische vleugel binnen de linkse beweging pas aan het eind van de negentiende eeuw dominant werd. Dat hing samen met de maatschappelijke gevolgen van de industriële revolutie. Langzaam maar zeker ging toen vrijwel overal in Europa aan de linkerzijde de gedachte overheersen dat werkelijke volkssoevereiniteit – volgens Caute de essentie van de linkse politiek – niet alleen een kwestie was van politieke, maar vooral ook van verregaande sociaal-economische hervormingen.

De jaren vijftig en zestig waren een periode van economische groei, welvaartsstijging en zeer lage werkloosheidscijfers. In deze tijd werd de basis gelegd voor de Nederlandse verzorgingsstaat en de overlegeconomie. De sociaal-democraten waren toen nog in zeer belangrijke mate in staat richting te geven aan het beleid. Het recht op het privébezit van de productiemiddelen werd erkend, maar in ruil daarvoor werden belangrijke concessies gedaan. Daardoor was destijds, heel anders dan nu, economische groei een links thema. De groei werd namelijk aangewend voor hogere lonen, betere arbeidsvoorwaarden, de opbouw van sociale voorzieningen, de financiering van onderwijs, sociale woningbouw en gezondheidszorg. Op die manier werd de emancipatie van een groot deel van de bevolking gerealiseerd.

Dit model is later vastgelopen en links heeft daar eigenlijk nooit een antwoord op kunnen vinden.

Tot op de dag van vandaag worstelt men aan de linkerzijde met dit probleem. Het keynesiaanse, sociaal-democratische project uit de jaren vijftig en zestig heeft in de loop der jaren overal in West-Europa plaats moeten maken voor een monetaristisch, neoliberaal project. De hele Europese sociaal-democratie is daardoor in de loop der tijd „sociaal-liberaal’’ geworden.

Sinds de val van de Muur wordt het debat over de grondslagen van ons economisch systeem nauwelijks meer gevoerd. Vanaf de jaren tachtig is in West-Europa een beleid van bezuinigingen, liberaliseringen en privatiseringen van kracht. Politieke partijen beperken zich sinds die tijd tot het nemen van maatregelen die keurig binnen de neoliberale, monetaristische kaders passen. In Nederland heeft links, met uitzondering van de SP, de triomf van het neoliberalisme in feite volledig geaccepteerd en het streven naar grote maatschappelijke hervormingen eigenlijk helemaal opgegeven.

De PvdA stelt niet langer de economische machtsstructuren ter discussie en accepteert zodoende de dominantie van de vrije markt als maatschappelijke ordeningsmechanisme. Het initiatief is daardoor in de Nederlandse politiek de afgelopen decennia volledig bij rechts komen te liggen.

Rechts is vitaal, dynamisch, offensief. Rechts domineert het politieke debat. Binnen het kabinet is het momenteel dan ook coalitiepartner VVD die de lakens uitdeelt. Zelfs als de PvdA het werkelijk zou willen zou het daarom momenteel vrijwel onmogelijk zijn om een progressief beleid van spreiding van macht, kennis en inkomen te voeren.

Liberalen willen namelijk niet dat economische processen onder democratische controle worden gebracht, en men kan nu eenmaal geen effectief beleid voeren over topinkomens, belastingen, bonussen en verschillen tussen arm en rijk, wanneer men tegelijkertijd alles dereguleert, privatiseert en de marktkrachten volledig vrijlaat.

Onze minister-president Mark Rutte heeft wel verkondigd dat hij geen visie heeft. Dat is eigenlijk onjuist, want achter maatregelen als de strafbaarstelling van illegaliteit en de sluiting van de sociale werkplaatsen gaat namelijk een heel duidelijke opvatting schuil over wat de taken van de overheid zijn. Liberalen zijn van oudsher van mening dat de overheid zich zo weinig mogelijk met de economie hoort te bemoeien. Op dit moment wordt de verzorgingsstaat daarom in hoog tempo ontmanteld.

Dat die verzorgingsstaat door deze regering wordt afgeschaft betekent niet dat de overheid zwakker wordt. Integendeel. De overheid wordt juist sterker.

Er wordt een beleid gevoerd van strenger straffen, scherper handhaven, meer controle. Onze privacy staat onder druk, en de toegang tot de rechter wordt beperkt. Dit is een radicale, liberale agenda die wordt uitgevoerd. Men zou de stelling kunnen verdedigen dat een partij die meewerkt aan de uitvoering van een dergelijke agenda – en dat wordt door regeringspartij PvdA momenteel in deze coalitie gedaan – ophoudt een linkse partij te zijn.