Het begin van de oranje schaatsgekte

Een onvergetelijke stunt. Zo mag het optreden van schaatslegende Kees Verkerk bij het Europees Kampioenschap van 1966 best worden omschreven. In de laatste race van het slotnummer van de titelstrijd in Deventer, de tien kilometer, lag de kasteleinszoon royaal vóór op de Noorse coryfee Fred-Anton Maier toen hij onderuit ging en tegen het spandoek van

Verkerk praat met de pers na het EK van 1969 in Inzell.
Verkerk praat met de pers na het EK van 1969 in Inzell. Foto ANP / Dick Coersen

Een onvergetelijke stunt. Zo mag het optreden van schaatslegende Kees Verkerk bij het Europees Kampioenschap van 1966 best worden omschreven. In de laatste race van het slotnummer van de titelstrijd in Deventer, de tien kilometer, lag de kasteleinszoon royaal vóór op de Noorse coryfee Fred-Anton Maier toen hij onderuit ging en tegen het spandoek van zijn supportersclub uit Puttershoek knalde. Verkerk krabbelde overeind en terwijl het twintigduizendkoppige publiek massaal ‘Keessie-Keessie’ scandeerde, kreeg hij ‘vleugels’ en achterhaalde de intussen vooruitgesnelde Maier.

De krachtmeting was in nóg een opzicht bijzonder. De tv-studio in Hilversum zond - voor het eerst - een herhaling uit. Verkerks tuimeling was twee keer te zien en dat zette menig kijker op het verkeerde been. Bij de omroep kwamen tal van telefoontjes binnen met de vraag of hun favoriet echt tweemaal was gevallen.

Bij zijn inhaalrace op Maier werd Verkerk langs de baan aangemoedigd door zijn Nederlandse concurrent Ard Schenk, die dankzij Verkerks uitglijder zeker was van de titel. Het leverde Schenk, óók een volksheld maar minder populair dan Verkerk, veel sympathie op. Het ‘Keessie-Keessie’ vanaf de tribunes veranderde spontaan in ‘Ard en Keessie’. De Ard en Keessie-mythe was geboren.

Andere Tijden Sport over Ard & Keessie, met vanaf 6:00 de val van Verkerk:

Tegelijkertijd zag de vaderlandse schaatsgekte het licht. Op Sportgeschiedenis.nl schreef Jurryt van de Vooren: “Overal waren oranje gekleurde supporters reisden ze de schaatsers achterna. Met klompen, shirts en te veel bier maakten ze wereldreis na wereldreis met hun ludieke oranje outfit. De oranjegekte begon dus níét bij het voetbal, maar bij het schaatsen.”

Zanger Johnny Hoes pikte het Ard en Keessie-thema later vol enthousiasme op. Hij componeerde en zong het lied ‘Ard en Keessie’, met teksten als:

Ard en Keessie geef hem van katoen
Een van jullie tweetjes wordt straks wereldkampioen
Ard en Keessie geef hem van katoen
Als Ard het niet kan fiksen dan zal Keessie het wel doen

Voorlopig fikste Keessie het. De nu 71-jarige Verkerk werd in 1966 óók wereldkampioen. Vóór Schenk. Schenk was halverwege het toernooi in het ijzig koude Gothenburg onaantastbaar, maar nadat ‘s nachts de dooi was ingevallen, kwam ‘De Lange’ op het boterzachte ijs niet meer uit de verf. De kleine Verkerk gaf later toe dat hij de tweede dag op de Ullevi-baan in het voordeel was, maar hij wees er ook op dat de (amateur)schaatsers in die tijd door de onoverdekte banen zelden onder gelijke omstandigheden konden rijden.

Een jaar later vlamde Verkerk opnieuw. Hij haalde Europees goud binnen in het Finse Lahti bij een temperatuur van tussen de 25 en 30 graden onder nul - “We waanden ons als nudisten op Nova Zembla”, zei hij in het boek Heya Keessie (1969) van Ger Bestebreurtje - en de wereldtitel in Oslo. Het beste moest toen nog komen. In 1968 haalde Verkerk zijn hoogtepunt bij de Olympische Spelen van Grenoble, waar hij de sterkste was op de 1.500 meter en zilver haalde op de vijf kilometer.

Hoewel Verkerk in 1972 (Sapporo) nog zilver veroverde op de tien kilometer, werd hij de winters daarvoor al overtroffen door Schenk, die uiteindelijk een fraaiere erelijst had.

Hoe dan ook, Verkerk en Schenk zetten Nederland als schaatsnatie op de kaart. Schenk zei daarover in 2010 in NRC Handelsblad: “Het is gewoon mazzel dat Kees en ik elkaar en Nederland zo inspireerden. Het schaatsen was altijd overheerst door Noren, Zweden en Russen. Toen kwamen de kunstijsbanen en wij tweeën.”

Een overgelukkige Verkerk

Een overgelukkige Verkerk heft beide armen omhoog, staande voor het scorebord dat de Nederlandse successen op de 1.500 meter van Grenoble toont. Verkerk één, Schenk twee. Foto ANP

Verkerk en Schenk waren vrienden, maar ook concurrenten. Het succes van hun verbinding was vooral gebaseerd op tegenstellingen, zo schrijft Bert Wagendorp in De Sportcanon: de sportgeschiedenis van Nederland. Verkerk was de stayer, Schenk de sprinter. Verkerk was een leider, Schenk een volger. Verkerk viel aan, Schenk verdedigde.

Terwijl Schenk een studie fysiotherapie volgde, ging Verkerk naar de ambachtsschool. In het boek Heya Keessie zegt hij over die periode: “Ik stond er met grote tegenzin - want ik had afschuwelijk de pee aan die school - aan de bankschroef, of iets dergelijks.” In het boek Van Jaap Eden tot Ard Schenk van Klaas Peereboom staat dat Verkerk doorgaat voor een vrij impulsieve jongeman, “die jaren geleden bijvoorbeeld, op een ambachtsschool in Strijen een beitel naar een van zijn leermeesters wierp”. In het boek staat ook dat Verkerk “allround eerzuchtig” was en dat hij onder andere het kampioenschap biertappen van Zuid-Holland had gewonnen.

Dat laatste was geen wonder, want op jonge leeftijd moest hij al meehelpen in de kroeg van zijn vader. Dáár, maar ook in de vrije uurtjes op trainingskampen, speelde Verkerk op zijn orgel en zijn trompet. Hij was voorts een rappe prater en grappenmaker. Schenk in NRC Handelsblad: “Zijn vader had (…) een toerbus, Kees zat als achtjarig jochie al voorin moppen te tappen.” En hij was bijzonder geliefd. Zo werd er een krokus en een renpaard naar hem genoemd.

In Heya Keessie vertelt Verkerk zijn vader Pleun feitelijk zijn eerste trainer was. Pleun, volgens zijn zoon “een bekend kortebaanrijder”, leerde hem de slag, en de handen op de rug te houden. “Ik was toen elf jaar en reed op zogenaamde houten ‘schuitjes’.” Vervolgens bracht zijn vader hem elke zondagochtend naar HOKIJ in Den Haag, waar hij op kunstijs trainde. “We hadden nog geen echte trainer”, aldus Verkerk, “maar in ons groepje bevond zich Cor de Kreek, een schaatserijder-wielrenner (…) En van hem ik veel geleerd: diep zitten, fijn ‘technieken’.”

Verkerk, later technisch ijzersterk, ging op achttienjarige leeftijd met een sportvriend naar Davos om met de gevestigde orde te trainen. Toen hij 21 jaar was en in de kernploeg van de schaatsbond was opgenomen, debuteerde hij verrassend (zilver) bij de Olympische Spelen van Innsbruck (1964).

De echte doorbraak van Verkerk, die met een Noorse trouwde en na zijn loopbaan een camping ging beheren in Kristiansand, kwam bij het EK in 1966. In Deventer, met die race op de tien kilometer tegen Maier als onvergetelijk hoogtepunt. Verkerk dankte in die rit veel aan bondstrainer Anton Huiskes (“een oefenmeester, psycholoog en vader en moeder tegelijk”), die hem na zijn val aanmoedigde om Maier te achterhalen. “Je blijft hangen, je verliest niets op hem.” En even later schreeuwt hij uit volle macht: Je haalt hem nog in. Het kán.”