Zonder netwerk komt een onderzoeker in Nederland niet aan de bak

Vier jaar geleden vertrok ze naar de Verenigde Staten. Buiten-landervaring zou haar carrièrekansen in de wetenschap vergroten, dacht ze. In Nederland, want daar wilde ze weer naartoe terug, wist ze toen al. „Misschien”, zegt ze aan de telefoon vanuit het oosten van de VS, „komt het doordat in Europa zoveel talen worden gesproken, en er zulke cultuurverschillen zijn, dat Europeanen aan hun thuisland hangen. Amerikanen verplaatsen zich makkelijker van staat naar staat.”

Hoe dan ook, terug naar Nederland bleek lastig. „Ik ben er niet langer zeker van dat postdoc-ervaring in de VS gunstig uitpakt”, zegt ze nu. Het staat misschien goed op je cv als je voor vertrek al geregeld hebt dat je terug kunt komen, en hoe, en waar. Maar deed je dat niet, dan loop je kans tussen wal en schip te vallen. „Dat is geen misstand”, zegt ze erbij. „Maar wel iets om over na te denken.”

Twee verschillen tussen de VS en Europa maken het Nederlandse systeem meer gesloten, denkt ze hardop. Ten eerste is de competitie in de VS harder. Op een vacature voor een tenure track, die je de kans geeft om in vijf jaar op te klimmen van universitair docent (assistent professor) tot universitair hoofddocent (associate professor) reageren vaak tweehonderd mensen. „En de uitverkorene is daarmee nog niet binnen. Een commissie blijft zo iemand volgen: hoe gaat het met de fondsenwerving? Met de publicaties? Is dat onvoldoende, dan moet je na vijf jaar alsnog weg. Dat zie ik in Nederland niet gauw gebeuren.”

Dat hangt weer samen met het academisch landschap, denkt ze. Als je het in de VS niet redt op een topuniversiteit, kun je alsnog een mooie carrière opbouwen aan een universiteit met iets minder aanzien. „In Europa, in Nederland, zitten alle universiteiten zo’n beetje op hetzelfde niveau. En ben je er binnen, dan kun je meestal blijven.”

Vraag is dan: hoe kom je binnen? En voilà, het tweede verschil. „Dat is in de VS veel transparanter. Er zijn vacatures en commissies en de regels van het tenure-tracksysteem zijn overal identiek.”

Dat is in Nederland niet zo, zegt ze. Het tenure-tracksysteem is hier niet systematisch ingevoerd. En met bijvoorbeeld een driejarige VENI-subsidie voor veelbelovende jonge onderzoekers, mag je wel jezelf uitbetalen, maar je kunt er geen medewerkers van aannemen, om zo een groep op te bouwen. Evenmin is duidelijk wat er na die drie jaar gebeurt. Wanneer mag je blijven of een volgende stap zetten? Kortom: „Er zijn geen heldere regels en niet altijd kijken commissies mee.”

Bovenal: er zijn niet altijd open vacatures, zo merkte ze. „Ik heb de afgelopen jaren heel goed bijgehouden of er posities in mijn vak vrijkwamen. Sommige universiteiten adverteerden nooit, maar dan zag ik via LinkedIn dat kennissen daar wel een plek hadden gekregen. Kennelijk via interne procedures.”

Ze schreef er een blog over en merkte dat anderen die observatie deelden. „Ik snap het ook wel: een hoogleraar wil graag iemand aannemen die hij (of zij) kent, wiens werk hij kent, die misschien werk doet dat aansluit op zijn eigen onderzoek. Voor een ‘vreemde’ met nieuwe ideeën is dan allicht minder ruimte en geld.”

In Europa was netwerken en samenwerken waarschijnlijk altijd belangrijker, denkt ze verder. „In de VS concurreren onderzoekers meer als individu, elk met eigen ideeën.”

En zij vraagt zich nu af: is er in Europa, in Nederland, genoeg ruimte voor af en toe een frisse wind? Voor wendbaarheid en diversiteit? Maar: ze komt wel terug. Dankzij haar netwerk. Met een Nederlandse collega heeft ze een subsidie geregeld voor een half jaar. „Hopelijk net genoeg om te laten zien dat ik een eigen groep waard ben. En ja, daarom blijf ik nu liever anoniem.”