We zijn verdrietig maar we zijn niet zielig

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

(Boven) „Deze week in onze tuin.” (Links) „Anne-Merlijn thuis in de keuken.” (Rechts) „‘Selfie’ in Frankrijk, 2002. We hadden net ontdekt dat ze zwanger was van onze eerste.”
(Boven) „Deze week in onze tuin.” (Links) „Anne-Merlijn thuis in de keuken.” (Rechts) „‘Selfie’ in Frankrijk, 2002. We hadden net ontdekt dat ze zwanger was van onze eerste.”

In het najaar van 2010, een paar maanden voordat Anne-Merlijn overleed, heb ik gesprekken gevoerd met een kinderpsycholoog en met een dominee. Onze kinderen waren zeven, vijf en drie toen. We zaten met zoveel vragen.

„In hoeverre betrek je kinderen bij de laatste levensfase van hun moeder? Wat vertel je wel, wat vertel je niet? Kunnen ze haar maar beter niet dood zien, om te voorkomen dat die hevige indruk gaat domineren in hun herinnering? Of juist wél, omdat ze anders hun eigen verhaal gaan maken dat nog veel heftiger kan zijn? Hoe kunnen ze reageren ze in de weken, maanden, jaren na haar dood? Hoe herken je op tijd dat ze met problemen zitten die ze niet kunnen uiten en waarbij ze hulp nodig hebben?

„Als ik voor mijn werk iets niet weet, raadpleeg ik deskundigen. Heel normaal. Dat heb ik voor mijn privésituatie ook gedaan. Logisch. Bevalt me goed. Ik kan het iedereen aanraden.

„Ik kreeg het advies: doe, onder deze abnormale omstandigheden, zo normaal mogelijk. Volg je intuïtie, betrek de kinderen overal bij en schat zelf in wat ze wel en niet kunnen bevatten of verdragen.

„Anne-Merlijn overleed op 30 december 2010. Kort na de kerstvakantie heb ik een e-mail gestuurd naar hun juffen, met tien tips over hoe ze met ons zouden kunnen omgaan in het belang van de kinderen.

„Tip één: wij zijn verschrikkelijk verdrietig maar we zijn niet zielig. De kinderen hebben vooral liefde en veiligheid nodig, maar ontzie ze niet. Corrigeer ze als ze iets raars doen, net als ieder ander kind.

„Tip twee: zeg niet dat ‘de kinderen geen moeder meer hebben’. Ze hébben een moeder, alleen: hun moeder leeft niet meer. Maar blijf gewoon over haar vertellen en praten en vragen. Het is al erg genoeg dat Anne-Merlijn niet meer leeft, laten we haar vooral niet ook nog gaan verzwijgen.

„Ik ben trots op mijn kinderen. Dat zal iedere vader zeggen, maar ik ben extra trots, omdat ze ’t hartstikke goed doen. Wij zijn een heel hecht team met z’n vieren. De oudste haalt de jongste uit school, samen komen ze straks naar huis. Vaatwasmachine inruimen, uitruimen – ze weten dat het één van hun taken in huis is.

„Dat is allemaal niet vanzelf zo gekomen. Ik heb ze wel eens aan tafel gezet, zo van: ‘We moeten nu met elkaar iets belangrijks bespreken. Ik heb jullie hulp nodig. We zullen d’r samen aan moeten werken dat alles hier in huis goed loopt en gezellig is, want ik kan in m’n eentje niet alles doen wat ik anders samen met Anne-Merlijn zou hebben gedaan.’

„Ik heb een andere band met mijn kinderen dan wanneer we een gewoon gezin waren gebleven. Een workaholic was ik niet. Thuis eten met het gezin, de kinderen naar bed brengen, leuke dingen doen in het weekend – daar had ik heus mijn aandeel in. Maar evenzogoed waren Anne-Merlijn en ik vol energie, ambitieus. We hadden afgesproken: ik ga een eigen bedrijf opzetten, tachtig uur werken in de week, tien jaar knallen en daarna komt de fase om het wat rustiger aan te doen.

„En toen, pats, in september 2008, kwam het moment waarop ons toekomstplan uiteen spatte. Bij Anne-Merlijn werd een uitgezaaide melanoom ontdekt. Ik zat eerst in de ontkenningsfase: sloot me af van slecht nieuws, reageerde overdreven optimistisch bij een meevaller. Anne-Merlijn was veel realistischer. Zij heeft me echt de ogen geopend, ze zei: ‘We moeten dit wel sámen doormaken en niet elk ons eigen verhaal ervan maken – dan groeien we uit elkaar, wat vreselijk is voor onszelf en vooral voor de kinderen.’

„Ik heb me uit mijn bedrijf teruggetrokken. Ik heb nu een baan waarbij ik vier dagen in de week thuis kan werken en één dag buiten de deur ben. Nee, topmanager ben ik niet. Ik verdien een stuk minder. Maar jammer vind ik dat niet – integendeel.

„Sinds afgelopen zomer heb ik m’n levenslust weer terug. Ruim tweeënhalf jaar heb ik het leven gezien als ‘m’n plicht doen’, de boel draaiende houden voor de kinderen. Depressief was ik niet, het voelde niet als een offer, het was oerkracht, vader- instinct. Maar ik had voor weinig anders energie dan voor de dingen van alledag, om alles in het gezin zo goed mogelijk te laten verlopen.

„Al die tijd heb ik wel gesprekken gevoerd met een biodynamisch therapeut – of ik weet niet eens hoe ’t precies heet. Hij was al de yogaleraar van Anne-Merlijn en mij. Sinds haar overlijden voer ik gesprekken met hem, eenmaal in de drie weken of zo. Heerlijk. Jezelf een uur lang kunnen uiten, je gedachten en problemen uitspreken. Zo was ik niet, door omstandigheden heb ik het geleerd en het doet me goed. Ik zie het als een verrijking, ik leef bewuster dan toen alles nog vanzelf leek te gaan.

„Het is eigenlijk heel simpel: als je op de automatische piloot leeft, als je maar door dendert, mis je allerlei signalen die je fysiek en mentaal krijgt. Dan hoopt de stress zich op – en op een dag knalt die wel ergens in je lijf naar buiten.

„Nu de kinderen wat ouder zijn, ontstaan ook vanzelf de mooie gesprekken aan tafel. We hebben bedacht dat we een familiebedrijf gaan oprichten. Dan zitten we heerlijk te fantaseren met z’n vieren. Het ene moment willen we een restaurant beginnen, daarna bedenken we een webshop waarmee we in Nederland spullen van mensen uit arme landen gaan verkopen.

„Ja, ik leef weer met m’n hoofd in de toekomst. Anne-Merlijn heeft dat altijd gekund. In haar laatste maanden vroeg ze aan vriendinnen: ‘Zeg, help je straks een leuke vrouw voor Egbert te vinden?’ Toen maakte dat me kwaad. Nu sta ik er weer voor open. Sinds september heb ik een vriendin, pril nog. Maar ik zie het voor me: een grote tafel in huis, en onze kinderen er omheen, en aanhang, en samen werken aan een goed leven en een betere wereld. Zoiets. Mooi toch?”