Rustig aan

Fictie

Elke week op deze plek een fictieverhaal. Deze week een hoofdstuk uit

Liefde en ander onbehoorlijk gedrag

van Mathijs Meinema. Over de liefde. Gebaseerd, of nou ja, geïnspireerd... nee,

losjes

geïnspireerd op zijn eigen leven.

Z e zit al aan een tafeltje en veegt over het beeldscherm van haar telefoon. Ik wacht tot ik mijn bestelling krijg van een studente met abstract haar en oversized nerd-bril, en ga dan tegenover Eva zitten. Ze kijkt op, zegt hey, maar legt haar telefoon niet neer. ‘Sorry, sorry, sorry, Fruit Ninja, wacht even, wacht even, NNNNJA. Shit. Watermeloen gemist.’

Dan neemt ze een slok van haar koffie. ‘Zo, hoe is het?’

Ik knik. ‘Goed ja, met jou ook goed, alles?’

Ze knikt.

We willen elkaar zo veel zeggen. Ik zie het. Maar we doen het niet. Eva neemt het laatste laagje schuim uit haar beker tot zich en begint te praten. ‘Kijk, ehm, we zijn toch eh, je weet wel, van laatst en zo? Ik denk dat we eh... Ja, ik weet natuurlijk ook niet of jij, maar op zich, als je...’

Ik begin op mijn beurt een onsamenhangend verhaal. ‘Nee, nou ja, omdat je zei dat je ook single wilde blijven en dat eh, dus ik snapte lamaarzeggen ook niet per se wat of hoe we nu voortaan ehm...’ Eva schudt haar hoofd. ‘Nee, ik vind het zelf ook, maar kijk, jij zei, omdat je qua ervaring niet echt heel positief tegenover zeg maar dít, of nou ja, niet per se dít, maar gewoon, dat je blik op de zaak zeg maar niet echt...’

Ik schud nu ook mijn hoofd. ‘Nee, maar dat was ook toen en nu denk ik van ja, waarom ook niet, weet je.’

Dit keer is het mijn beurt om het laatste restje op te drinken.

‘Hmm-hm,’ doet ze.

‘Hmm-hm,’ doe ik.

‘Maar...’ Ze wacht even, en dat duurt zo lang, godallemachtig, wat duurt het lang, de uren verstrijken, de sneeuw valt, smelt weer, er groeien nieuwe blaadjes groen, die hangen in de brandende zon aan de takken, ze worden bruin en dan is het weer kouder en dan weer warmer en dan zegt ze: ‘Hebben we nu iets of...?’

Ik wil opstaan, springen, een radslag maken, ook al kan ik dat niet, ik wil koffieboontjes de lucht in gooien en ik zeg: ‘Nnnja, ik weet niet, als jij dat eh, wilt, dan ja, op zich ja, ik denk ’t wel.’

Ze kijkt me aan.

Ik zie haar in gedachten de sprong wagen, zo, hup, over het slootje heen, maar nee, nee, ze twijfelt, ik zie dat ze twijfelt en ik weet niet waarom, maar omdat ze twijfelt, begin ik ook en samen donderen we in het slootje en ze komt boven en in haar haar zit kroos.

Dan zegt ze: ‘Laten we het anders even ehm, rustig aan doen?’

Ik zeg: ‘Oké.’

Eva en ik doen het rustig aan. Leuk hè, rustig aan doen? Ik kan het ook heel goed. Op mijn werk zit ik gefocust te typen. Ik heb een koptelefoon op. Ik schud vagelijk met mijn hoofd en beweeg mijn bovenlijf op de opzwepende beats. Het ziet er vast ridicuul uit, maar dat maakt niet uit, want ik tik elke letter, elke punt, elke komma, elke puntkomma en al ligt het misschien aan de Red Bull, ik ga lekker.

Bij elk slap liefdesliedje denk ik aan Eva. Aan Eef. Aan Eva op haar werk nu, waarschijnlijk is ze ook aan het typen of anders klikt ze een beetje op internet rond. Misschien kijkt ze stiekem een uitzending van haar lievelingsprogramma. Misschien leest ze een blog. Zit ze op haar telefoon te gluren. Of ik al een berichtje heb gestuurd. Maar dat heb ik niet, shit, wacht, even een berichtje sturen.

Ik zet de muziek op pauze, doe mijn koptelefoon af, wurm mijn telefoon uit mijn zak, kijk of zij iets gestuurd heeft, nee. Misschien denkt ze niet aan me. Maar ze moet aan me denken, toch? Nu ze mijn vriendin is... – o nee, nee, ze is mijn vriendin niet. Dus in principe hóéft ze niet aan me te denken. Zal ik haar wat sturen? Of is dat stom? Ik stuur iets nutteloos. Iets nutteloos is toch íéts. Daarna stop ik mijn telefoon weer terug in mijn zak, zet mijn koptelefoon weer op, zet de muziek weer aan, begin mijn kantoorsport weer.

Dit proces, inclusief de twijfel of ze überhaupt aan mij denkt (ze antwoordt namelijk niet) en of ik nog iets moet sturen, herhaalt zich minstens zeven keer. En dat nog voor de lunch.

– Ben echt lekker aan ’t werk, misschien komt dat door die Red Bull?

– Pff, collega blijft me maar nutteloze mails sturen, omdat ik niet reageer als hij me roept. Eikel.

– Heb jij dat nieuwe album van Coldplay gehoord? Echt beter dan het laatste album, wil nog een x naar een concert.

– Zo, die Red Bull werkt een beetje uit. Heb alleen maar Coldplay-lyrics getypt net, haha.

– Vond ’t btw echt gezellig vrijdag. Wanneer kun je weer?

– Sorry voor de spam, hoor, ben een beetje verveeld, geloof ik.

– Hoeveel krijg je nog van me trouwens van vrijdag?

Als ik een boterham smeer, voel ik getril. Meteen leg ik mijn mes neer en wurm mijn telefoon uit mijn broekzak. Eindelijk, eindelijk!

Mama. Kun jij uit je werk even langs de ah? 2 zakken eikenbladslamelange en een zakje honing-mosterddressing.

Schijt. Ik voel me een loser en wil Eva vertellen dat ik de hele dag al op haar wacht, op wat ze te zeggen heeft, wat ze vindt, van mij, van ons, van dat laatste album van Coldplay, ja, van alles, kan mij het verrotten, al ventileert ze haar mening over mensen met een schuifpui. Maar ik doe het niet.

Aan het eind van mijn werkdag is mijn telefoon opeens bijna leeg. Ik zie een envelopje, maar kut, hij valt uit. In de trein laat ik mijn gedachten naar een huisje in Portugal zweven. Met een balkon. Met een tafeltje, met twee lekkere stoelen, met een kan koude sangria. Met een lekker zonnetje en we zijn allebei halfnaakt en een beetje verbrand en ik leun naar haar toe en we zoenen en het is zacht en lief en ik word wakker in de concrete jungle van Rotterdam.

Thuis hang ik mijn telefoon aan de lader en ja hoor, daar is het envelopje weer en wow, het is van haar! Ik open het bericht. Er staat: Lol, laatste Coldplay is wel ok. En laat van vrijdag maar zitten joh.

O.

Nou.

Ja.

Oké.

Ik wil helemaal niet rustig aan doen. Toen zij zei: ‘We doen het rustig aan, oké?’ bedoelde ze: Ik wil het rustig aan doen en dus moet jij dat ook willen. Ik eet salade en het is me allemaal net te veel een metafoor. Salade voedt je nauwelijks, maar het heeft iets weg van eten, het is geen hardcore maaltijd, maar het is ook niet niks, dus ja, we doen het ermee.

‘Heb je geen trek?’ vraagt mijn moeder. Er zit wat honing-mosterddressing in haar mondhoek.

‘Neuh, ik doe het rustig aan.’

‘Dat doe je anders nooit.’ Ze likt het restje dressing uit haar mondhoek. Haar bezorgde blik verdwijnt niet.

‘Nee, maar nu wel,’ zeg ik.

‘Nou, ik vind ’r niks aan,’ zegt mijn moeder. Ze staat op en brengt haar bord naar de keuken.

Ik zeg: ‘Ik ook niet.’