Niet piepen is ook overleven

Christa van Anbeek zoekt als hoogleraar naar de zin van de dood. „Je hebt geen reden nodig om te leven. Wel om te kiezen voor de dood”, zegt ze bij een pastinaaksoep.

Christa Anbeek: „Niet de sterkste overleeft, maar degene die zich het best kan aanpassen aan veranderende omstandigheden.”
Christa Anbeek: „Niet de sterkste overleeft, maar degene die zich het best kan aanpassen aan veranderende omstandigheden.”

Eens zien hoe we deze lunch een beetje luchtig kunnen houden. Want hoeveel dood kan een mens verdragen? Theoloog Christa Anbeek (52) was 24 toen haar vader zelfmoord pleegde. Een jaar later overleed haar moeder, de dag erop sprong haar broer voor de trein. Haar twee beste vriendinnen stierven en zeven jaar geleden overleed haar partner plotseling tijdens een bergwandeling in Spanje. Ze maakten samen een pelgrimstocht naar Santiago de Compostela.

Maken al die overledenen Christa Anbeek bijzonder? Nee. Wat haar interessant maakt, is dat ze al haar halve leven zoekt naar de zin van de dood. Ze promoveerde op hoe christenen en boeddhisten omgaan met sterfelijkheid. Daarna werd ze moeder, zenboeddhist en geestelijk verzorger in een psychiatrische inrichting. Nu is ze hoofddocent bestaansfilosofie aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Sinds eind vorig jaar combineert ze dat met een bijzonder hoogleraarschap remonstrantse theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Weet Christa Anbeek hoe een mens verlies en verdriet kan verwerken? Nee. „Op mijn bureau ligt een brief die ik maar niet kan beantwoorden. Een vrouw schrijft me dat ze drie van haar vier volwassen kinderen heeft verloren. Of ik soms weet wat haar pijn kan verzachten.” Christa Anbeek heeft geen methode of recept voor omgaan met de dood. Ze schreef er wel een aantal boeken over. In Overlevingskunst onderzoekt ze, als een soort keuringsdienst van waren, wat moderne filosofen, psychologen en schrijvers over sterfelijkheid zeggen, en of zij daar zelf iets aan heeft gehad. Ook in Berg van de ziel zoekt ze naar remedies tegen verlies. Ze schreef het samen met Ada de Jong, die in de zomer van 2008 haar man en drie kinderen in de Zwitserse bergen verloor. Ze stortten voor haar ogen in een ravijn. In haar oratieboekje Aan de heidenen overgeleverd gaat ze wat dieper in op het geloof. „Religies zijn een totaalpakket. Ze bieden rituelen, kunst, leefregels en een gemeenschap.”

In het Polman’s huis in Utrecht zijn de meeste wit gedekte tafeltjes nog onbezet. Christa Anbeek woont en werkt er in de buurt. Ze kiest een van de weinige tafeltjes die niet gedekt zijn. „Laten we het maar eenvoudig houden.” Bondiger had ze zichzelf niet kunnen samenvatten. Ze draagt een broek met een rood-wit-zwart geruit bloesje, haar haar is kort, haar gezicht lichtjes opgemaakt. Ze bestelt de dagsoep en een sinaasappelsap en binnen tien minuten hebben we het over de doden in haar leven. Is dat ingewikkeld of heel emotioneel? Helemaal niet. Ze praat en lacht heel makkelijk.

Met haar laatste drie boeken heeft ze „iets afgerond”, zegt ze. „Mijn zoektocht is even klaar.” Die van haar misschien, maar ik zou graag horen wat ze gevonden heeft, en wat ze onderweg tegenkwam. Eerst wat ze gevonden heeft. Dat klinkt verrassend simpel. Zij zegt: er is geen zin van het leven. Wat er wel is: zin in het leven. „Toen drie familieleden in één graf lagen, vroeg ik me af waarom ik daar niet bij lag. Lang zocht ik naar een reden om te blijven leven. Ik weet nu dat je geen reden nodig hebt om te leven. Je hebt een goede reden nodig om te kiezen voor de dood.” Haar vader koos voor de dood, de dag voordat hij zou gaan scheiden. „Mijn moeder was ernstig ziek. Misschien voelde hij zich schuldig dat hij haar verliet. Misschien nam hij een voorbeeld aan zijn zus, die eerder hetzelfde deed na haar echtscheiding.” Haar broer Bart koos er ook voor. „Van hem verraste het me minder. We praatten veel, ik probeerde hem te helpen. Maar blijkbaar was dat niet genoeg.”

Christa Anbeek bleef over met een oudere broer en een jonger zusje. „Mijn eerste gedachte was: ik wil een kind.” Dat kind is Roos, nu 26, lerares Engels en moeder van een zoontje van één. „Ongelooflijk hè,” zegt ze. „Ik had geen geld, geen huis, ik studeerde nog en was zo labiel als wat. Dat zo’n irrationeel besluit zo goed heeft uitgepakt.” Blijkbaar was er wel een vader voorhanden? Ze rekent hardop. „Mijn broer overleed op woensdag... mijn moeder de dinsdag ervoor... De vrijdag dáárvoor ging ik voor het eerst uit met de man die de vader van Roos zou worden.” Met de man bleef ze niet samen. Roos werd haar reden om te leven.

Ze zocht verlichting in de theologie, want dat studeerde ze toevallig. Ze was opgegroeid in Barneveld, midden in de Bijbelring, maar haar ouders waren niet kerkelijk. „Ik zou, net als mijn broer, naar de openbare basisschool gaan. Dat wou ik niet. Ik heb mijn ouders op een middag medegedeeld dat ik naar de christelijke school ging.” Ze was zes. Ze koos ook zelf voor de christelijke middelbare school in Ede, en daarna voor theologie. „Mijn ouders hadden me liever wiskunde of biologie zien studeren.” Ze werd doctor in de ‘religieuze omgang met de dood’, maar had daar voor eigen gebruik niet veel aan. „Ik was heel cynisch. Ik was ervan overtuigd dat niets of niemand me kon helpen.”

Op een studieweekend over de dood ontmoette ze Mimi, een zenlerares. „Zij was een stuk ouder dan ik, een moederfiguur. Ze liet me zien dat ik het leven kon vertrouwen.”

Christa Anbeek verhuisde, met haar dochtertje van vijf naar de Tiltenberg in Vogelenzang, een zenboeddhistisch centrum. Ze werd zelf ook zendocent. Vijf jaar woonde ze op drie kleine slaapkamertjes, en begeleidde, tegen minimumloon, de zenweekends. „Van vrijdag tot zondag doodstil zitten, gezicht naar de muur en zwijgen.” Ze zat zo lang, zegt ze, dat al haar normale „verdedigingmechanismen” het begaven. „Fysiek is het heel, heel zwaar. Alle verdriet kwam boven. En volgens de Japanse macho zenleer moest ik daar dan ‘doorheen zitten’.”

Klinkt spartaans. Ze lacht. „Niet piepen is ook een overlevingsstrategie.” Aan zenmeditatie doet ze niet meer. Ze loopt nu twee keer per week hard, en ze zwemt.

Mimi overleed. Christa Anbeek was intussen verliefd geworden op een van de zencursisten. Peter, een psychiater. Voor haar verliet hij zijn vrouw, zij verhuisde voor hem naar Ermelo. Zij ging werken in een psychiatrische kliniek, als geestelijk verzorger. Ze durfde haar werkgever niet te vertellen wat ze zelf had meegemaakt. Ook niet toen ze werd benoemd tot voorzitter van de suïcidecommissie. „Wij moesten bij elke zelfdoding als eersten de afdeling op.” Ze heeft het hooguit één keer verteld, aan een patiënt, een suïcidale vrouw die meende dat ze toch niks meer kon betekenen voor haar volwassen kinderen. „Toen zei ik dat mijn vader dat ook dacht. En hoe erg ik dat vond. Ik ben nu bijna net zo oud als hij is geworden. Als ik zie hoeveel ik kan doen voor mijn dochter. Voor mijn kleinzoon. Dat had hij ook voor mij kunnen doen.”

Gelukkige jaren

Met Peter heeft ze negen gelukkige jaren geleefd, zegt ze. Ze wijst om zich heen. „Hij nam me hiermee naartoe. Liet me ervaren hoe het ook kon. Oesters eten. Wijn drinken. Praten.” Hij overleed aan een hartstilstand tijdens hun „neppelgrimstocht” – ze legden hem deels met de auto af. En toen was ze min of meer terug bij af, zegt ze. „Ik moest opnieuw uitzoeken hoe je verder leeft na een verlies.”

De afgelopen vijf jaar is ze flink wat denkers langsgegaan. De existentiële psychotherapie van Irvin Yalom, die zegt dat de eigen dood het grootste verlies is dat de mens kan treffen. Waarop Christa Anbeek droogjes vaststelt dat het toch vooral de dood van anderen is die haar leven verscheurt. Ze herkent iets bij levenskunstfilosofen Joep Dohmen en Wilhelm Schmid. „Levenskunst is ook: goed voor je lichaam en geest zorgen. Goed eten, mooie kleren dragen, naar de sauna gaan, naar kunst kijken, muziek luisteren.” Allemaal waar natuurlijk, alleen had ze er niet zoveel aan op het moment dat ze, door verdriet, niet kón eten, slapen of genieten. „Aan levenskunst heb je iets als je leven kalm is. Midden in een storm moet je zien te overleven.”

Humanistische filosofen zeggen: wat je overkomt heb je niet in de hand, alleen hoe je erop reageert. Maar dat vindt Christa Anbeek niet helemaal waar. „Hoe je reageert is ook afhankelijk van hoe je bent opgevoed, hoe slim je bent, en of er goede mensen om je heen zijn die je helpen.” Ook hun opvatting dat ieder mens verantwoordelijk is voor zijn eigen leven, spreekt haar niet aan. „Je wordt alleen geboren, je gaat alleen dood. Elke vrouw die moeder is, zal vraagtekens zetten bij dat alleen geboren worden.” Het meest thuis voelt Christa Anbeek zich bij de natuurfilosofen: niet de sterkste overleeft, maar degene die zich het best kan aanpassen aan de veranderende omstandigheden.

Ze was erop uit, zegt ze, alle oplossingen, theorieën en therapieën stuk te gooien. „Ik wilde bewijzen dat niks hielp.” Gaandeweg is ze milder geworden. In haar boek Overlevingskunst wordt ze per bladzijde positiever over wat helpt en wat niet. „De tijd heeft de rauwe randen iets zachter gemaakt.” Wat helpt is: trouw, compassie, naastenliefde van ándere mensen. „Ieder liefhebbend mens is kwetsbaar. Die kwetsbaarheid verbindt ons. Vroeg of laat zal iedereen een dierbare verliezen.”

Beetje Spinoza, snufje boeddhisme, scheutje natuurfilosofie, mespuntje christendom? „Je kunt zeggen: opportunistisch. Ik noem het eclectisch.” Het klinkt vooral heel pragmatisch. Ze knikt. Ze heeft een nieuw huis, een nieuwe baan en een nieuwe man (een huisarts, ontmoet op een cursus existentiële psychiatrie voor hulpverleners). Nu ze hoogleraar remonstrantse theologie is, wil ze de religieuze vormen van levenskunst onderzoeken. Weer met zichzelf als proefkonijn? Ze lacht. „En dan keurmerken uitdelen. Dit werkt. Dit helpt. Dit niet.”