‘Mark is the king’

Mark Tuitert denkt te veel. Dat weet hij zelf ook wel, maar zet je hoofd maar eens uit. Dat gaat eigenlijk niet. Het lukte wel in Vancouver, 2010, op de dag van de 1.500 meter. In de bus naar de schaatshal luisterde hij naar muziek op z’n iPod. De zon scheen. Hij reed de race eens niet keer op keer in gedachten. En hij won.

In het Holland Heineken House kan Mark Tuitert nog nauwelijks bevatten dat hij goud heeft gewonnen op de 1.500 meter.
In het Holland Heineken House kan Mark Tuitert nog nauwelijks bevatten dat hij goud heeft gewonnen op de 1.500 meter. Foto ANP / Robin Utrecht

Mark Tuitert denkt te veel. Dat weet hij zelf ook wel, maar zet je hoofd maar eens uit. Dat gaat eigenlijk niet. Het lukte wel in Vancouver, 2010, op de dag van de 1.500 meter. In de bus naar de schaatshal luisterde hij naar muziek op z’n iPod. De zon scheen. Hij reed de race eens niet keer op keer in gedachten. En hij won.

Er zijn momenten die pas bij het terugkijken bijzonder zijn, wanneer je al weet hoe het zal aflopen. Het interview dat Tuitert drie dagen voor zijn gouden medaille gaf, was zo’n moment. Hij was vijfde geworden en was daar boos over. Hij had bidonnen tegen de muur van de kleedkamer gesmeten en liet zijn stem voor de NOS-camera steeds bijna breken. Tuitert kan mooi boos zijn op zichzelf.

Niemand hoefde hem te vertellen dat die vijfde plek niet goed genoeg was. Daar vlieg je niet voor naar de andere kant van de wereld. Je trekt dat pak er niet voor aan, je traint er niet vier jaar lang voor. Om, als het ertoe doet, vier anderen voor te laten. Hij was gebrand. Hij keek vooruit naar wat hij toen, en vele keren daarna, de ‘koningsafstand’ noemde. De 1.500 meter. Daar moest het dan maar gebeuren.

Mark Tuitert won en verloor wedstrijden met z’n hoofd. Altijd nadenken. Na z’n entree in het profschaatsen in 2001 ging hij veel te ver in zijn drang de beste te worden: hij trainde te hard, liep de ziekte van Pfeiffer op maar wilde dat niet geloven, zelfs niet toen een wandeling naar de training al te vermoeiend bleek. En thuis dacht hij het slechte huwelijk van zijn ouders, die de scheiding tot in de rechtbank uitvochten, op zijn schouders te moeten dragen.

Hij praatte met iedereen, wilde z’n eigen denken doorgronden. Hij bezocht een sportpsycholoog en een haptonoom, hij las boeken over trainingsleer. Er moest toch een oplossing zijn? Toen hij erkende dat het simpelweg te veel was geweest, dat hij z’n lichaam te veel had laten doen, was het te laat. Hij miste de eerste Spelen waar hij op aanwezig had willen zijn, die van 2002 in Salt Lake City.

Daarna ging het even beter. Hij werd Europees Kampioen allround in 2004, in een wereldrecord aantal punten. Maar in de aanloop naar de Spelen van Turijn sloeg hij weer aan het twijfelen: het allrounden of een specialisme? Weer dat denken, weer dat hoofd. Zonder een duidelijke keuze te maken miste hij ook dat olympische toernooi.

Onder trainer Jac Orie maakte hij die keuze daarna, in 2007, wel. Hij koos voor de korte afstanden. De hele en anderhalve kilometer. Vooral die laatste werd zijn grote liefde. Tuitert wilde in zo’n 1.500 meter in gesprek met zijn lichaam, dat onherroepelijk zou verzuren, zwaarder zou worden. Op goede dagen zette hij er wilskracht tegenover. Op slechte dagen liet hij zich ontmoedigen. Het was dat laatste, te vaak.

Maar toch, er was nu een duidelijk doel. In Vancouver, eindelijk zijn eerste Spelen, moest het gebeuren.

Er zijn momenten die pas bij het terugkijken bijzonder zijn, wanneer je al weet hoe het zal aflopen. Er was nog zo’n moment, vlak voor de start van zijn 1.500 meter. Het was vrijdag 20 februari 2010 in Vancouver, zaterdag 21 februari en al midden in de nacht in Nederland. De snelste tijd stond drie ritten voor het einde op naam van Ivan Skobrev. Rustig uitrijdend op het middenstuk legde de Rus z’n wijsvinger tegen z’n lippen, omdat Mark Tuitert achter hem stond, met zijn handen in zijn zij, en het startschot bijna zou klinken. Stil, zei Skobrev met die vinger - nu zijn andere jongens aan de beurt. Zij verdienen jullie aandacht ook.

Bij de warming up had Tuitert naar Tool geluisterd. Het nummer 46&2, dat gaat over het bereiken van een nieuw niveau van bewustzijn. Voor Tuitert ging het over het omarmen van je schaduwkant, om het juist daarmee verder te schoppen dan een ander.

De eerste 300 meter was goed: Tuitert reed sneller dan al zijn voorgangers. 23,52. Na het eerste hele rondje, met 700 meter in de benen, sloeg de verzuring toe. Het lichaam begon pijn te doen, Tuitert voelde het. Door die ‘muur’ moest hij heen, herinnerde hij zich later. En dat ging zomaar goed, veel makkelijker dan anders.

Na 1.300 meter voelde zijn lijf als beton. Nog één bocht, de binnenbocht. Hij liet zijn directe tegenstander, Bøkko, achter zich. De bocht door, de bocht uit, naar de eindstreep. Slordig, misschien nog een minieme misser makend, met zijn handen loskomend van het lichaam, trok hij zichzelf naar de streep. De blik omhoog, naar de tijdmeting.

1:45,57. Eén vijfenveertig zevenenvijftig. Sneller dan alle voorgangers en sneller dan iemand ooit eerder op die baan. Hij trok zijn muts weg, deed zijn bril af. Zijn haren wapperden als leeuwenmanen, met zijn vingers nam hij de pose van een rockster aan. Wijsvinger en pink omhoog, de rest in de vuist.

Tuitert na de 1.500 meter

Tuitert na de 1.500 meter. Foto EPA / Valdrin Xhemaj

Op het middenstuk van de baan, omsingeld door het ijs waarop levens kunnen veranderen, wachtte hij de resterende twee ritten af. Stefan Groothuis, Chad Hedrick, Lucas Makowsky, Shani Davis. Ze konden het hem allemaal nog afnemen. Vooral voor die laatste was Tuitert bang.

Maar niemand versloeg hem - ook Davis niet. Televisiekijkers zagen het streepje meeglijden over het ijs, het streepje dat de race van Tuitert voorstelde. Davis vocht, maar bleef erachter. 1:46,10. Een zeldzaamheid: Davis won in de jaren daarvoor overal en altijd. Nu niet. ‘Mark is the king’, zei de Amerikaan ruimhartig na de race.

Tuitert was pas de derde Nederlander die goud won op deze afstand, na Kees Verkerk en Ard Schenk. Het ongeloof stond op zijn gezicht terwijl hij ererondjes reed en met een rood-wit-blauwe vlag wapperde. Mark Tuitert, die dacht dat hij een allrounder was, en zich al die jaren zo bedreven had in het nadenken.

Hij had naar Tool geluisterd - vandaar dat rockgebaar, misschien. Daarna had hij daar gestaan, met zijn handen in zijn zij terwijl Skobrev het publiek tot stilde maande, hij was gestart, hij had Wennemars bij de radio dolenthousiast gemaakt, hij had die muur geslecht, hij had alles laten samenvallen. Hij had niet nagedacht, hij had het gewoon eens gedaan.