Laat die peuters maar kletsen

Twee-, drie- en vierjarigen moeten ook naar school, als het aan Nederlandse gemeenten ligt // Maar hoe zinvol is dat eigenlijk? // Kinderen moeten vooral praten, rijmen, spelen en zingen

„Kinderen moeten fysiek ruimten kunnen verkennen.”
„Kinderen moeten fysiek ruimten kunnen verkennen.” Foto Rien Zilvold

Het lukt in Nederland maar niet om aan te tonen dat het goed is voor kinderen om vanaf heel jonge leeftijd naar school te gaan. Toch presenteerden de Nederlandse gemeenten gisteren een plan voor gratis onderwijs aan peuters. Kinderopvang, peuterspeelzalen en voorschoolse educatie zouden moeten worden samengevoegd tot ‘Integrale Kindcentra’. Maar hoe zinvol is dat eigenlijk?

Hoogleraar orthopedagogie Paul Leseman (Universiteit van Utrecht) doet al jarenlang onderzoek naar voorscholen, maar heeft de effecten ervan op lange termijn nooit hard kunnen aantonen. Paul Leseman put wel hoop uit lopende studies: „Het lijkt erop dat kinderen, vooral uit anderstalige milieus, profiteren van kringgesprekken en voorlezen op jonge leeftijd.”

Het heeft weinig zin om peuters in de klas of daarbuiten lastig te vallen met cijfers en letters, zeggen wetenschappers. Voor kinderen van 2, 3 of 4 jaar oud is het veel belangrijker om zich te leren concentreren, zich te leren beheersen en om plannetjes te leren maken en uitvoeren. Langlopend onderzoek toont aan dat het bij kinderen die deze zogeheten ‘executieve vaardigheden’ op jonge leeftijd ontwikkelen, met taal en rekenen later ook wel goed komt.

Leseman bepleit een programma waarin kleuters op een speelse manier met taal in aanraking komen, bijvoorbeeld door te zingen en rijmpjes op te zeggen. Rollenspelen, toneelstukjes waarin peuters doen alsof ze moeder zijn, of de baas van een winkeltje, zijn ook erg belangrijk. Net als eindeloos kletsen met de juf. Leidsters die verhalen vertellen, mooie woorden gebruiken en goede zinnen formuleren, helpen de taalontwikkeling van peuters met sprongen vooruit.

Zo’n inspirerende omgeving creëren is niet makkelijk, zegt Leseman: „Het is zelfs razend moeilijk, maar ook superbelangrijk. Je moet heel goed kunnen inschatten wat een kind begrijpt en wat niet. Je moet zelf over een rijke taal beschikken.”

Dat fysieke spelletjes zoals stoeien, klimmen en glijden belangrijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen, staat ook wel vast. „Natuurlijk moeten kinderen de kans krijgen om veel te bewegen, om hoeken en gaten te verkennen, bij voorkeur ook buiten”, zegt Leseman. „Ze moeten fysiek ruimten kunnen verkennen. Dat is heel belangrijk voor hun taalvaardigheid.”

Maar het belangrijkste is misschien wel dat peuters veel leren van elkaar. Juist peuters met een taalachterstand moeten kunnen kletsen en spelen met leeftijdsgenoten die vlotter Nederlands spreken dan zij. En daar ontbreekt het in Nederland vaak aan in de voorschoolse opvang. Volgens voorzitter Gjalt Jellesma van Boink, de belangenvereniging voor ouders met kinderen in de kinderopvang, is Nederland met zijn scheiding tussen peuterspeelzalen (met veel taalzwakke kinderen) en kinderopvang (met meer kinderen van hoogopgeleide ouders) een negatieve uitzondering in West-Europa. Daarom is het volgens Jellesma belangrijk dat peuterspeelzalen en crèches onder één dak worden gebracht. „Als dat niet gebeurt”, zegt Jellesma, „zal Nederland hekkensluiter blijven in de bestrijding van de achterstand van heel jonge kinderen.”