Invloed van kunstenaars op discussies? Onzin

Kunst is geen wetenschap en nut heeft het ook niet. Kunst is de ervaring van een dringende aanwezigheid van het vreemde. Een kunstwerk is een in zichzelf besloten organisme. Geef de kunstenaar geld in plaats van een Akademie van Kunsten, schrijft Robert Anker.

Bij een artikel in de krant van 11 februari drukte NRC Handelsblad negentien foto’s af van kunstenaars die de nieuw opgerichte Akademie van Kunsten gestalte moeten geven. „Het is in deze tijd nodig dat ook van kunstenaars invloed uitgaat in maatschappelijke discussies”, stelt een van hen.

Een sympathieke vergissing die voortkomt uit het slechte geweten van veel kunstenaars – dat ze iets moois maken terwijl de wereld in brand staat.

Een andere opvatting over het belang van kunst vind je voornamelijk in de kringen eromheen, ook verwoord in het artikel: „Onze samenleving heeft creativiteit nodig om te overleven, om geld te blijven verdienen”. Dixit de minister van Cultuur. Geld verdienen. Je hoort het steeds vaker in deze neoliberale epoque: kunst levert geld op. Het onmiskenbare belang, bijvoorbeeld, van het Rijksmuseum is er dan in gelegen dat het toeristen naar de stad trekt.

Maar kunst heeft geen nut. Kunst is ook geen vorm van wetenschap, een ander misverstand, dat ook in de kringen van de verse Akademie leeft, want zij is onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Kunst doet aan onderzoek, dat is het woord dat je steeds weer tegenkomt, vooral in de beeldende kunst en het theater. Wat er onderzocht wordt? In zijn algemeenheid is het altijd terug te voeren op de positie van de mens in de wereld. Maar dat is geen onderzoek, dat is ervaring – de persoonlijke ervaring van het leven.

Uit het voorgaande kunnen wij leren dat kunst ons niets kan leren, zeker onder literatuurlezers een bekend misverstand. Een begrijpelijk misverstand, inzicht is hier het sleutelwoord. „Het werk van Willem Frederik Hermans heeft mij inzicht gegeven in de onbetrouwbaarheid van de wereld.” Maar de waarheid is dat het werk van Willem Frederik Hermans dat inzicht heeft gearticuleerd, het bestond al, op een non-verbaal niveau. Daardoor lijkt het of het inzicht door de schrijver is aangebracht.

Nu is ook duidelijk dat de kunst geen invloed heeft op het maatschappelijk debat. Zij heeft wel eens gefungeerd als een krachtige stimulans. De hut van oom Tom is misschien zo’n voorbeeld, maar de maatschappelijke beweging tegen de slavernij bestond al langer. Multatuli wilde met zijn Max Havelaar de uitbuiting van de Javaan tegengaan, maar zijn lezers verzuchtten dat ze zijn boek zo mooi vonden. Het slechte geweten van de mens achter de kunstenaar, dat zijn kunst geen rol speelt in de maatschappij, brengt hem er vooral in de beeldende kunst toe zijn woede en frustratie daaromtrent in zijn werk te verbeelden, maar hij moet ermee leren leven dat men zijn werk mooi vindt – als het goede kunst is, anders is het ‘tijdgebonden geklets’ (Nabokov).

Kunst hoort bij de mens, dieren hebben geen kunst (wel primitieve vormen van wetenschap, het gebruik van werktuigen bijvoorbeeld, zo zijn wij ook begonnen). Daarom denk ik dat kunst direct samenhangt met dat andere grote onderscheid met de dierenwereld: ons bewustzijn. Kennis van de tijd, dat we een verleden hebben en een toekomst, dat we doodgaan, ervaringen van verwondering ‘dat alles er is’, de raadsels van dat bewuste leven, maar ook ervaringen van frustratie, afscheid, verlies en rouw.

O ja, en ook wel van vreugde, maar ik denk dat de meeste kunst een gevolg is van een of andere vorm van frictie. Deze ervaringen treffen alle mensen, maar alleen kunstenaars weten daar een vorm voor te vinden – want kunst is vorm – waarin ze die ervaringen gestalte kunnen geven en over kunnen dragen.

Want vergis je niet, beste neoliberaal, er is in de samenleving een diepe behoefte aan kunst, niet grootschalig, maar wel intens. Ook de homo economicus weet in zijn diepste uur dat kunst de enige getuige is van zijn eenzaamheid. Maar nut heeft ze niet.

Het kunstwerk is een in zichzelf besloten organisme. Je kunt naar binnen gaan en je kunt er weer uit lopen, het blijft wat het is, ook na honderd jaar (al verandert de perceptie voortdurend). Het lijkt altijd op wat we kennen, maar het is altijd vooral anders. Kunst is de ervaring van een dringende aanwezigheid van het vreemde. Misschien had Aristoteles gelijk door deze ervaring, die vaak een confrontatie is, te vangen in het woord ‘catharsis’. Misschien komt ons woord ‘troost’ in aanmerking: de confrontatie met het onvolkomene levert in het kunstwerk nu eenmaal, tijdelijk, een helend effect op. En ‘schoonheid’ natuurlijk. Maar ‘nut’ – nee.

Nu begrijpen we ook dat ‘cultureel ondernemerschap’ waar neoliberale politici, en dat zijn de meeste, zo graag op hameren een gotspe is. De kunstenaar is een seculiere monnik, een monnik met een slecht maatschappelijk geweten, maar laat hem in zijn cel, waar de werkelijkheid nog hard genoeg naar binnen komt. Geef hem wat geld in plaats van een Akademie. Geef die vierhonderd miljoen terug die hem is afgepakt. Peanuts op een rijksbegroting van tweehonderdvijftig miljard.