Ik weet vooral dat iets niét leuk is

Sinds Daniël Arends in 2006 Cameretten won, speelt hij vrijwel altijd voor volle zalen. Inmiddels zoekt hij niet meer onafgebroken naar bevestiging. „Ik moet mezélf goed vinden.”

Hij wordt door pers en collega’s beschouwd als het grootste cabarettalent van zijn generatie. „De spannendste comedian van Nederland”, noemde Theo Maassen hem onlangs nog. En ook het publiek heeft hem allang ontdekt. Sinds Daniël Arends (34) in 2006 op Cameretten zowel de jury- als de publieksprijs won, speelt hij vrijwel altijd voor volle zalen. Zelf lijkt hij dat nauwelijks opmerkelijk te vinden. „De crisis is gewoon aan mij voorbijgegaan. Ik zeg niet dat het briljant is wat ik doe, maar ik denk dat ik wel de norm stel. Daar hebben mensen behoefte aan.” De norm? „Ja. Gewoon zeggen: en zo doe ik het.”

Het maken van een programma begint vaak met maar één simpel idee. „Ik had bijvoorbeeld een grapje: ‘deze champagne is zo duur, dat je er eerst van de zijkant een jacht tegenaan moet gooien’. Vanuit zo’n grap ontstaat er al spelend een verhaaltje. Om op te treden heb ik in feite maar twee grappen nodig; één om mee op te komen en een om mee af te sluiten. Het meeste andere materiaal ontstaat al spelend. En als je maar twee echte grappen hebt, ga je vanzelf heel hard werken.”

Maar je weet toch vooraf precies wat je gaat vertellen?

„Lang niet altijd.”

Hoe weet je of iets leuk is?

„Ik weet vooral dat iets niét leuk is. Sommige grappen zijn zo logisch. Ik zei ooit over mensen met van die gouden armbanden en kettingen: maar wat vinden die mensen dan wél ordinair? Dan weet je dat mensen daar om moeten lachen. Ik ga op mijn gevoel af. De allereerste keer dat ik in De Engelenbak in Amsterdam speelde voor honderdvijftig mensen wist ik in feite helemaal niks. Ik was negentien, had wat dingen bedacht waarvan ik geen idee had of ze goed waren. Juist door daar niet over na te denken werkte het perfect.”

Dat eerste optreden, in 1998, duurde maar een kwartier, maar was een sleutelmoment in zijn bestaan. „Alles waar ik op hoopte bleek wáár te zijn. Wat ik zelf mooi vond bleek te werken. Ik bleek niet gek te zijn. Het is zo fantastisch dat iets begrepen wordt zoals jij het hebt bedoeld. Dat gevoel is er nog steeds. En als het niet lukt, snap ik meestal ook wel waarom. Ik vind cabaret gewoon niet zo moeilijk. De essentie is heel logisch voor mij.”

Hij wist al vanaf zijn zestiende dat hij daar op dat podium hoorde. Ja, dat klinkt misschien arrogant. Maar zo wás het. „Ik geloofde gewoon ergens in. Niet in wat ik toen kon, maar in wat ik ooit zou kunnen. Toen ik Youp van ’t Hek op tv zag dacht ik: wat logisch. Volgens mij moet ik dat ook gaan doen. Maar het kwam pas echt in beweging toen ik Hans Teeuwen en Theo Maassen zag. Toen dacht ik: oh, maar dit mag dus óók!” Arends meldde zich vervolgens bij Comedytrain. „En toen begon het te lopen. Ook omdat je daar te maken kreeg met die mensen die je zelf zo bewonderde.”

Freek en Youp waren in elk geval nooit voorbeelden voor hem. „Hooguit dat ik dacht: hé, dat bestáát kennelijk. Wat moet het gaaf zijn om op zo’n podium te staan en mensen te laten lachen.” Maar in artistieke zin speelden zijn voorgangers geen enkele rol. „De kloof was veel te groot. Voor mij zijn het gewoon oude mannetjes. Het ging voor mij echt om mensen als Theo Maassen en Hans Teeuwen. Die zijn voor mij de maatstaf.”

De eerste keer dat hij daadwerkelijk in het theater kwam was op zijn achttiende, bij een voorstelling van Eric van Sauers. Hij was diep onder de indruk van Van Sauers’ charisma en speelgemak. Later, toen Arends bij Comedytrain speelde, kwam hij Van Sauers tegen. „We stonden allebei te plassen. Kennelijk vond hij dat het wel aardig was wat ik deed, want hij zei: ‘hé, anders ga je een keer een dagje met me mee. Gaan we tussendoor lekker eten en er iets gezelligs van maken’. Ik was te benauwd om te reageren. Later vroeg hij het nog eens. Ook toen zei ik niks. Ik durfde niet, vond hem gewoon te indrukwekkend.”

Je zei een keer: Ik ken zo'n beetje alle comedians van Nederland. Stuk voor stuk staan ze op een podium omdat ze ooit iets tekort kwamen: aandacht, liefde. Het heeft altijd met tragiek te maken. Gaat dat ook op voor jou?

„Dat denk ik wel. Ik had een duidelijke reden om hard te werken: de angst om niet gezien te worden. Ik had altijd het gevoel meegesleurd te worden door het leven zonder dat ik er ook maar enigszins grip op had.”

Misschien had het begin van zijn leven daar ook wel mee te maken. Zijn Nederlandse ouders adopteerden hem ruim dertig jaar geleden uit Indonesië. Daar was hij als jongetje van een half jaar zwaar verwaarloosd door zijn ongehuwde moeder binnengebracht, samen met zijn halfzusje Hanna. Joko heette hij toen. Het eerste halfjaar had hij maar ternauwernood overleefd, volgens de geboorteakte die het kinderweeshuis later aan zijn adoptieouders meegaf: ‘Ze zijn onder heel nare omstandigheden bij ons aangekomen. Ze zagen er zo vreselijk uit dat niemand ze wilde hebben. Zwaar ondervoed. We hebben ze eerst een periode in quarantaine moeten houden.’

Hij was achttien toen zijn ouders het document voor het eerst aan hem lieten zien. „Ze zeiden, zullen we dit nu ’ns met z’n allen lezen?” Op een bepaalde manier ontroerde het hem, moet hij schoorvoetend bekennen. „Door de kwetsbaarheid die eruit sprak.” Aan de andere kant was die adoptie voor hem geen nieuws. „Ik heb het altijd geweten. Dat zié je toch, dat je ouders anders zijn? Ik kan me niet herinneren dat het ooit nodig was om daar expliciet naar te vragen.” Zijn ouders namen Arends en zijn zus daarna mee naar Jakarta. „Dat was meteen bijzonder. Je voelt direct dat je daar vandaan komt. Hoe vertrouwd de warmte aanvoelt, hoe goed je lijf op het eten reageert. De geuren, de kleuren, alles blijkt nog in je systeem te zitten. Tegelijkertijd is dat natuurlijk voor minstens de helft pathetisch gelul. Je wilt ook heel graag voelen dat je ergens vandaan komt.”

Je zei later in een van je programma’s dat je als adoptiekind altijd geneigd blijft om te laten zien dat je geen miskoop bent.

„Zoiets gaat vanzelf. Toch heb ik nooit het gevoel gehad dat ik zonder hen niks was geworden. Ik hoef ze niet te bedanken dat ze mij uit dat tehuis hebben gehaald. Waarom zou ik? Ik heb toch óók recht om te leven? Sterker nog: ik heb ze méér gegeven dan ze hadden kunnen verwachten. Later ben ik nog teruggeweest in dat weeshuis. Het bleek dat ze kamers verhuurden. Omdat ik toch moest schrijven aan mijn programma ben ik daar twee weken gaan wonen. Eigenlijk heel romantisch: voor 30 euro werd je opgehaald, werd je was gedaan en at je drie keer per dag mee met de weeskinderen. Dat zijn toch lot- en bondgenoten van je. Ook al ben jij dertig en zij pas tien.

„Ik weet niets van mijn biologische ouders. Dat is een enorm bevrijdend gevoel. Omdat ik daardoor volledige verantwoordelijkheid moet nemen voor alles wat ik doe. Ik kan me nooit verschuilen achter: ja, maar dat heb ik van mijn vader. ‘Ik’ ben voor honderd procent ‘ik’.”

Weet je echte moeder hoe het je vergaan is?

„Nee. Ze weet niet eens dat ik nog leef. Tenzij ze toegang heeft tot YouTube. Dat hoeft ook helemaal niet. Het klinkt hard, maar bij een definitieve scheiding van moeder en kind ontstaat vanzelf het gevoel: laat me los, en voel er niks meer bij. Als de situatie blijkbaar zo verschrikkelijk is dat een moeder haar kind af moet staan dan is het ieder voor zich.”

Je vertelde een paar jaar geleden dat je nooit kranten leest. Is dat nog steeds zo?

„Nog steeds niet, nee. Ik heb echt genoeg aan mezelf.”

Je moet toch weten wat er speelt? Dat Jeroen Dijsselbloem bijvoorbeeld net...

„Jeroen Dijsselbloem? Geen idee wie dat is. Dat maakt ook niks uit. Ik weet weer andere dingen. Mensen komen voor onvermogen naar het theater. Niet om te horen hoe goed ik het op een rijtje heb. Ze komen om getroost te worden door iemand die het ook allemaal niet weet.”

Dit is voor een cabaretier toch bij uitstek een tijd om iets te beweren?

„Als ik werkelijk de deur open zou gooien naar wat ik van dingen vind, dan is het eind zoek. Ik hou die dingen op afstand. Onder het mom van, die hoge heren weten heus wel wat ze doen.”

Goeie grap.

„Nee, ik denk echt dat zij wel weten waar ze mee bezig zijn. Dat is net zoiets als dat ik altijd denk dat mensen op tv echt zo zijn. Daar kan ik enorm in opgaan. Ik vind die of die een enorme lul, of juist niet. Terwijl ze allemaal een rol spelen.”

Dus Ivo Niehe is exact zoals hij op tv overkomt?

„Precies. Een jammerlijk misverstand natuurlijk. In het echt is hij natuurlijk nog véél erger. Zo kijk ik ook naar de politiek. Eendimensionaal.”

Maar dit klinkt zo enorm naïef; een enorme discrepantie met wat je verder op dat toneel uitstraalt.

„Echt? Stel dat ik me echt zou opwinden over waar mijn belastinggeld naar toe gaat. Dan ben ik toch gek? Daar bemoei ik me niet mee. Ik wil me verhouden tot waarden, niet tot normen. Rutte stelt regels op. Daar wil ik me niet in verdiepen. Wat mij interesseert is zijn passie, of het gebrek daaraan.”

Wat heeft dat spelen op dat toneel je tot nu toe gebracht?

„Het heeft ertoe bijgedragen – samen met mijn kindje, mijn vrouw, mijn ouders en mijn vrienden – dat het zo goéd is. Ik hield vroeger niet van mezelf. Je minderwaardig voelen, de angst dat je niet welkom bent. Dat theater tilde me vervolgens op. Maar dan ontdek je dat het daardoor niet opgelost wordt. Ik heb gemerkt dat geld, succes en roem veel minder opleveren dan je denkt. Want waarom is mijn honger nog steeds niet gestild? Dat gat zit namelijk in mijzelf. Inmiddels is het gelukkig wel geslonken tot een klein vraagtekentje. Ik snap dat ik niet onafgebroken moet blijven zoeken naar bevestiging. Het is uiteindelijk niet belangrijk of Theo Maassen mij goed vindt. Ik moet mezélf goed vinden.”