Ik ben vaak opzij gezet voor andere vrouwen

Elisabeth Andersen (94) stond zestig jaar op het toneel. Ze werd onlangs geëerd met de onthulling van een geschilderd portret in de schouwburg van haar woonplaats Haarlem. „Voordat de televisie opkwam, waren wij de vedetten.”

Tekst Brigit Kooijman, foto Andreas Terlaak

Portret

„Vorige maand is in de schouwburg hier in Haarlem een portret van mij opgehangen, geschilderd door Liesbeth Kraaijpoel. Dat is aardig, en de onthulling was een gezellige en feestelijke bijeenkomst, maar dat neemt niet weg dat het voorbij is. De toneelcultuur van toen bestaat niet meer. I’m a yesterday’s woman, niet meer interessant, hoogstens voor een verhaaltje in de krant.

„Grote schrijvers leven door in hun boeken, van mijn rollen is niet tastbaars meer over, behalve wat foto’s. Maar als je op het toneel staat, is het ongelofelijk intensief. Die mensen, dat publiek, het is zo direct, hè? Zo’n zaal pakken en te grazen nemen, het is een soort macht. Als je het goed doet en het stuk leent zich ervoor, kun je een zaal doodstil krijgen. Heimwee heb ik niet meer. Ik merk alleen dat wanneer ik erover praat, ik nog datzelfde enthousiasme heb voor het toneel. Het was iets waar ik goed in was, en waar ik van hield.”

Kostwinner

„Ik heb een prachtig leven gehad aan het toneel, maar het was niet makkelijk. Er was veel jaloezie. Ik ben vaak opzij gezet voor andere vrouwen, en dan moest ik vanuit Den Haag of Amsterdam uitwijken naar een gezelschap in Arnhem of Rotterdam. Als ik mijn drie kinderen niet had gehad, zou ik het niet hebben volgehouden.

„Ik moest geld verdienen om hen te voeden. Al toen ze klein waren, werd ik kostwinner. Met mijn eerste echtgenoot, Jan Retèl, een van mijn mede-acteurs bij de Haagse Comedie, ben ik maar kort getrouwd geweest. Mijn tweede huwelijk, met een elf jaar jongere huisarts, liep ook op niets uit. Dus ik móest spelen, of ik wilde of niet. Ik heb me daar vaak schuldig over gevoeld. Ik herinner me nog goed al die keren dat we rond etenstijd in de bus met het gezelschap op weg waren naar een voorstelling, en ik overal gezinnen aan tafel zag zitten. Zo hoort het eigenlijk, dacht ik dan. Mijn kinderen aten met de huishoudster.”

Aktie Tomaat

„Net toen ik weer helemaal gebeiteld zat bij de Nederlandse Comedie in Amsterdam, met de ene mooie rol na de andere, kregen we in ’69 de Aktie Tomaat. Dat was verschrikkelijk. Studenten van de toneelschool gooiden tijdens uitvoeringen tomaten naar de acteurs, uit protest tegen de in hun ogen verkalkte toneelcultuur. Het moest moderner en geëngageerder, vonden ze.

„Ik stond in Vrijdag van Hugo Claus. Daar zijn nooit tomaten gegooid, helaas. Ik had graag de actievoerders op het toneel gevraagd om met ze in discussie te gaan. Ik begreep hun motieven wel, maar hun manieren waren zo schandelijk. Ze hebben echt slachtoffers gemaakt. Ank van der Moer, die nog even bij Het Volkstoneel speelde en daarna doodging. Guus Oster, wiens haar plotseling in plukken uitviel en die het chagrijn nooit te boven is gekomen. Ellen Vogel en Han Bentz van den Berg, die stopten met spelen omdat ze het toneel niet meer op durfden.”

Pleepot

„Ik had te veel zelfvertrouwen om eraan onderdoor te gaan, al was een tijdlang ook voor mij de lol eraf. De verwarring in de toneelwereld was groot. De Nederlandse Comedie werd opgeheven, ik ging weer terug naar Den Haag, waar ik me artistiek niet meer thuis voelde. Bij het Zuidelijk Toneel Globe heb ik uiteindelijk nog jaren fijn kunnen spelen, tot aan mijn pensioen in 1985.

„Eén van mijn mooiste rollen daar was Suus, een boerenvrouw die zittend op een wc-pot met een fles drank naast zich in Peels dialect haar leven overdacht. Sommige oude Haagse theaterbezoekers heb ik daarmee ernstig teleurgesteld. Elisabeth Andersen, een van de sterren van de Koninklijke Schouwburg, op een pleepot!”

Gouden jaren

„Voordat de televisie opkwam, waren wij, toneelspelers, de vedetten. Zalen met juichende mensen, die bloemen op het toneel gooiden. Als je trouwde, een kind kreeg of van gezelschap veranderde, stond je met een grote foto in de krant. Bakvissen in Den Haag die fietsend de tram waarin ik zat, probeerden bij te houden. Helemaal idolaat, wat meisjes op die leeftijd hebben. Niet voor niets heten de jaren vijftig en zestig ‘de gouden jaren’ van het toneel. Gezelschappen hadden soms wel veertig acteurs in dienst. Er was een enorm aanbod van goede stukken uit de hele wereld, die niet zelden door meerdere toneelgroepen tegelijk seizoenen lang gespeeld werden.”

Stempel

„Mij past geen uitgesproken mening over het huidige toneel, want ik houd het niet goed genoeg meer bij. Omdat ik slecht hoor ga ik zelden nog naar de schouwburg. Maar mijn indruk is dat regisseurs niet langer in de eerste plaats dienstbaar zijn aan de schrijver, en dat betreur ik. Want wat Sophocles, Shakespeare, Molière, Goethe, Tsjechov, Schnitzler – al die grote toneelschrijvers – te zeggen hadden, is naar mijn idee nog steeds de moeite waard. Ik beweer niet dat er niks goeds meer gebeurt op het toneel, maar het stempel van de regisseur is zo overheersend geworden. Het ligt ook aan de acteurs, zij versnipperen hun aandacht; ze spelen in films en tv-series en doen dan ook nog eens aan toneel.”

Rollator

„Na mijn officiële pensioen heb ik nog tot mijn tachtigste gespeeld. Mijn laatste stuk was Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan, met Het Nationale Toneel. Toen vond ik het welletjes. Tot mijn negentigste heb ik veel gereisd, daarna is mijn lichaam me in de steek gaan laten. Ik red mezelf nog prima alleen en ik rijd nog auto, maar mijn benen zijn versleten en ik heb geen zin om in Venetië of Parijs achter een rollator te lopen. Het geeft niet, ik heb zoveel moois gezien in mijn leven. Mijn spierkracht en coördinatie worden minder. Soms laat ik mijn sleutelbos vallen, en dan vloek ik.

„Lezen is het liefste wat ik doe. Vandaag heb nog steeds geen boodschappen gedaan omdat ik als een bezetene zit te lezen in dit boek, De welwillenden van Jonathan Littell, het verhaal van een SS-officier in de Tweede Wereldoorlog. Onwaarschijnlijk prachtig. Geweldig. Afgrijselijk.”

Grote liefde

„Toen dertig jaar geleden twee goede vrienden van mij, actrice Els van Rooden en Peter Lohr, schouwburgdirecteur hier in Haarlem, achter elkaar aan kanker stierven, was ik daar kapot van. Ze waren veel jonger dan ik. Maar intussen ben ik zo oud, dat het normaal is dat ook de jongeren langzamerhand overlijden. Iedereen om je heen gaat dood. Ook mijn grote liefde Werner Münsterberger is er niet meer. Hij is 97 geworden. We leerden elkaar kennen in de oorlog. Hij was zeven jaar ouder dan ik en een man die de wereld kende. Ik keek hemelhoog tegen hem op. Toen de Gestapo bij hem aan de deur was geweest, moest hij bij mij onderduiken, want hij was Joods. Na de oorlog zouden we trouwen, maar door omstandigheden is dat er nooit van gekomen. Hij verhuisde na de oorlog naar New York, maar we hebben altijd contact gehouden. Een paar uur voor hij stierf, in het voorjaar van 2011, heb ik hem nog aan de telefoon gehad. Ik was de laatste die hem sprak.”

Glimlach

„Toen ik laatst thuiskwam uit Groningen, waar ik bij mijn jongste zoon gelogeerd had, en heerlijk in mijn eigen bed kroop, moe van de reis, dacht ik, met een verzaligde glimlach op mijn smoel: ik mag best doodgaan, vannacht. Maar ik ben nog wel even bezig. Met die stapel boeken daar. Gesprekken met mijn kinderen. En ik ga binnenkort weer eens een knot wol kopen.”