Het verzwakte Europa raakt klem tussen de grootmachten

Europa is 56 jaar lang stap voor stap opgebouwd. Zal ze zonder overtuigende toekomstvisie niet stap voor stap worden ontmanteld? De Europeaan gedraagt zich nog te veel als Bambi in Jurassic Park en is zich niet bewust van dreigingen zoals oorlog, schrijft schrijft Jonathan Holslag.

Op 28 januari 1914 haastte Norman Angell zich naar zijn uitgever met een nieuw essay over de Europese wapenwedloop. Hij had reeds eerder de aandacht getrokken door geweld af te doen als futiliteit. Dat argument domineerde ook in dit essay: „De onderlinge afhankelijkheid die een noodzakelijk gevolg is van de arbeidsdeling tussen landen”, zo voerde hij aan, „heeft geleid tot een merkbare afname van geweld. Samenwerking en communicatie, dat is nu de inzet van staatsmanschap.” De stelling werd in die periode kracht bijgezet door de eerste luchtlijn, de opening van het Panamakanaal en Charlie Chaplins eerste succes in Amerika – Making a Living. Exact zes maanden na het verschijnen van dit essay zetten de staatsmannen de afdaling naar de loopgraven in.

Het argument dat oorlog niet langer loont, is zo oud als de geschiedenis van oorlog zelf. De Griekse historicus Xenophon hield bijvoorbeeld een hartstochtelijk pleidooi voor vrede tussen staten om de handel en welvaart te verzekeren. Jezus, Ovidius, Van Aquino, Erasmus, Grotius en Ricardo traden allen in zijn voetspoor. Die optimistische school werd evenwel steevast in evenwicht gehouden door realistische denkers. Voor hen blijft harde economische en militaire macht doorslaggevend en vormt meer macht van het ene land automatisch een uitdaging voor het andere. Bij die eeuwigdurende tweespalt tussen realisten en pacifisten blijft de belangrijkste vraag wat politici doet schipperen tussen de twee richtingen en vooral of een duurzame verschuiving naar vrede haalbaar is.

Het vredesoptimisme staat onder druk, terwijl dat juist de hoeksteen is van het Europese denken over internationale politiek. Europa kan zijn veiligheid garanderen – mits de rest van de wereld de kwade geesten van het nationalisme zou uitbannen. De integratie van Europa is dan het rolmodel. De euforie over globalisering, die de traditionele conflicten tussen staten zou slechten, versterkte onze positieve verwachtingen. We werden daarin gesterkt door de euforie over globalisering die met handel en voorspoed de traditionele conflicten tussen staten uitwiste. Met de Russen in de touwen had Europa ook nauwelijks iets te vrezen van buitenlandse rivalen. Vooral niet toen de nieuwe mogendheden, China en India, beloofden dat hun opkomst anders zou zijn dan die van grootmachten uit het verleden.

Maar achter de mooie beloften van groeilanden als China en India blijkt een angstaanjagende militarisering schuil te gaan. Daardoor nemen spanningen over grensgeschillen toe en vinden meer militaire incidenten plaats. Niet alleen in Oost-Azië, maar ook in nabije staten als Turkije, Israël en Egypte.

Het nationalisme wint terrein op de globaliseringsgedachte, omdat de opbrengsten van globalisering minder tastbaar zijn. Hierdoor worden gematigde politici in het nauw gedreven en verwerven leiders, die op het internationale toneel hun spierballen laten rollen, opnieuw aanzien in hun land.

De principes van militaire terughoudendheid, internationale samenwerking en vrede zijn niet zo sterk ingebed in het wereldwijde bewustzijn als we vaak veronderstellen. Peilingen tonen aan dat het wantrouwen tussen staten toeneemt, dat de voorkeur van samenlevingen voor een sterk leger groot is en dat er vaak een aanzienlijke steun is voor militaire antwoorden op territoriale conflicten. China bijvoorbeeld, spiegelt zich steeds meer aan de Amerikaanse kanonneerbootpolitiek; het wil zelf een sterke krijgsmacht om grensgeschillen te beslechten en buitenlandse belangen te verdedigen.

Toch is een gewelddadige botsing tussen Chinese en Amerikaanse belangen niet het grootste risico. Gevaarlijker is de angst van kleinere staten als Japan, Pakistan en Vietnam voor de twee giganten. Die angst kan leiden tot riskant gedrag en escalerende spanningen, die op hun beurt de grootmachten kunnen meesleuren.

De Chinese Zee begint op de Balkan van Azië te lijken. Europa kan er niet van uit gaan dat die nieuwe wapenwedlopen beperkt blijven tot het Verre Oosten. De militaire spanningen in Azië zullen onvermijdelijk naar onze eigen achtertuin overslaan. en Rusland en Turkije tot een hardere buitenlandpolitiek brengen. Lidstaten in de Europese periferie banger worden.

Toch is de vraag of Europa zelf gevrijwaard blijft van interne militaire spanningen fundamenteler. Zeker nu de economie achteruit gaat, pragmatische elites verzwakt en spanningen tussen de hoofdsteden toe nemen.

Europa is 56 jaar lang stap voor stap opgebouwd. Zal ze zonder overtuigende toekomstvisie niet stap voor stap worden ontmanteld? De wereldgeschiedenis is geplaveid met mislukte unies en federaties, falen dat vaak volgde op gebrek aan intern vertrouwen en onvermogen om de uitdagingen van buiten de baas te blijven. De Europese vredesvlag gaat het schip niet keren. Europa is nu ingeklemd tussen twee roerige continenten met grootmachten die onze interne twisten meedogenloos zullen uitspelen.

Wat telt, zijn nieuwe ambities en nieuwe hoop, vaste grond onder de voeten. Voor Europa begint dit bij een nuchtere inschatting van onze geopolitieke positie: een vergrijzend hoekje ingeklemd tussen onrustige continenten. In tegenstelling tot het verleden hebben we die continenten niet langer ter beschikking voor onze interne twisten, maar zullen de andere grootmachten onze interne twisten meedogenloos uitspelen. De gemiddelde Europeaan gedraagt zich nog te veel als Bambi in Jurassic Park en is zich niet bewust van de dreigingen die op de loer liggen. Pas als dat bewustzijn er is met de erkenning van de geopolitieke verbondenheid kunnen we schrijven aan een groot verhaal voor onze kleine regio een verhaal dat ook daarbuiten hoop en kansen kan scheppen.

Van alle krachten in de internationale politiek is egoïsme tussen staten de sterkste. Dat geldt ook voor Europa. De schuldencrisis heeft geleid tot een nieuwe Europese politieke crisis; gezamenlijke belangen wegen tegenwoordig onvoldoende op tegen de fixatie van de hoofdsteden met de eigen, nationale belangen. Toegegeven, vijf jaren van crisisvergaderingen hebben de integratie op een uniek peil gebracht, maar de stappen bieden onvoldoende het hoofd aan nieuwe uitdagingen. Het ontbrekende evenwicht tussen economische en politieke integratie zal voor spanningen blijven zorgen. Van sociaal beleid staat is geen sprake en van een stevig buitenlands- en veiligheidsbeleid al helemaal niet.

Door de onzekerheid van de voorbije jaren heeft de geest van nationalisme weer zijn venijnige kop opgestoken. Kwalijker is dat, onder de valse schijn van stabiliteit, dit nationalisme getransformeerd is in onbegrijpelijke onderhandelingen in anonieme conferentiezalen. Terwijl Europa wegzinkt in haar misleidende technocratische routine, slinkt het vertrouwen. Slechts 49 procent van de Europeanen is optimistisch over de toekomst van de Unie. Tegelijk verenigen Eurosceptici zich om het Europese Parlement na de verkiezingen van mei te teisteren en om het deze zwakke generatie staatslieden moeilijk te blijven maken. Een veel onrustwekkender evolutie grijpt plaats op het niveau van de lidstaten. Het betreft de crisis van de gematigde politicus, voor wie moed en visie gelijkstaan aan het hanteren van de budgettaire kaasschaaf.

Slechts een kwart van de Europeanen heeft nu nog vertrouwen in de nationale overheid. De traditionele centrumpartijen (christen-democraten, sociaal-democraten en liberalen) verloren in de afgelopen tien jaar tijdens nationale verkiezingen in alle lidstaten gemiddeld zes procent.

Er zijn geen grote politieke winnaars. Nationalisten en regionalisten zijn iets vooruit gegaan, maar gemiddeld niet meer dan één procent. Schotten, Catalanen en Vlamingen mogen dan harder om onafhankelijkheid roepen, in de voorbije jaren is ook het vertrouwen in lokale en regionale overheden fors teruggelopen.

Zou er al één duidelijke trend bestaan, dan is dat politieke verzwakking: het aantal onthoudingen tijdens nationale verkiezingen steeg het laatste decennium met zowat drie procent. Het aantal mensen dat niet stemt, circa dertig procent, komt daarmee voor het eerst in de buurt van het aantal mensen dat kiest voor partijen in het politieke centrum.

Waarom verkeren pragmatische elites in crisis? En waarom daalt het vertrouwen in nationale - en regionale overheden? Dat varieert van land tot land en van stembus tot stembus, maar het is vooral de armoede die zwaar weegt. Deelt men de hele Europese bevolking in in vijf inkomensgroepen, dan daalt het politieke vertrouwen bij elke lagere inkomensgroep met vijf procent. Het aantal thuisblijvers bij verkiezingen stijgt dan met ruim drie procent.

Dit brengt ons bij de derde crisis, die van de Europese verzorgingsstaat: de arme onderkant van de samenleving keert zich steeds meer af van de politiek.

Het gaat echt niet alleen om werklozen. Een groter deel van de werkende bevolking is speelbal geworden van volatiele markten. Het voorbije decennium zijn er in de hele Europese Unie, ondanks de crisis, ongeveer vijftien miljoen banen bijgekomen. Maar tien miljoen van die banen bevonden zich in sectoren waar het loon daalde in vergelijking met het gemiddelde: in de detailhandel, in de horeca, en in het basissegment van de administratieve diensten. „De slaven van de moderne wereld”, zou George Orwell hen hebben genoemd.

Solidariteit is niet de oorzaak van de crisis van de verzorgingsstaat. Landen met een genereuze welvaartstaat zijn niet noodzakelijk minder ondernemend, innovatief of financieel gezond dan naakte markteconomieën. Ook de overheidsschulden zijn niet hoger in solidaire landen.

De verzorgingsstaat blijft het model dat de meeste tevredenheid en welbevinden schept. Maar, net als in alle andere rijke economieën, vertoont Europa de neiging om te veel geld uit te geven, te weinig inkomsten te genereren en, vooral, onvoldoende te excelleren in creativiteit, maatschappelijke betrokkenheid en ondernemingszin. Onderlinge solidariteit is daar niet de oorzaak van. Maar rijkdom maakt een samenleving nu eenmaal mak. Slechts weinig samenlevingen kunnen nu hun welvaartspeil behouden, zodat nu ook de verzorgingsstaat op het spel staat.

Dat brengt ons bij de vierde crisis, die van het economische verval. Jazeker, Europa blijft nog steeds een sterke economie, maar zowat twee procent van de welvaart wordt jaarlijks gegenereerd door extern krediet. Dat tikt aan, voor de eurozone nu reeds tot 3.400 miljard euro. Europa’s concurrentievoordeel in de industrie en in de diensten brokkelt ook geleidelijk af. Vooral voor de volgende generatie Europeanen is de opdracht ontzaglijk: in een minder competitieve economie die meer afhankelijk is van import van cruciale goederen moeten er steeds meer schulden worden afgelost.

De economische achteruitgang is een traag kruipend proces, terwijl de vermogende middenklasse amper iets van de problemen merkt. Dat maakt het moeilijker om de urgentie in te zien. De onderlaag vangt immers de meeste klappen op.

Bijna een derde van de ‘kommerveertig’, de minst vermogende veertig procent, komt moeilijk rond. Meer nog, een kwart van deze groep is er volgens peilingen niet van overtuigd iets waardevols bij te dragen aan economie en samenleving. Dat is een brok onbenut potentieel.

De vraag rest hoe lang de iets rijkere lage middenklasse, buiten schot blijft. Als ook hier het optimisme plaatsmaakt voor onzekerheid, zou Europa wel eens kunnen afglijden naar een revolutionair breekpunt. Zal Europa zo’n wending opnieuw overleven?

Europa mist een vooruitgangsgedachte. Twijfel, angst en mistroostig economisch conservatisme overheersen. Misschien is twijfel wel zinvoller dan het gemakzuchtige gekraai over de Chinese of Amerikaanse droom. Maar twijfel betekent ook stilstand. En ondertussen transformeren kortzichtige staatslieden Europa in een weerloze graaibak voor andere grootmachten.

Om de toekomst voor jonge generaties Europeanen veilig te stellen, moeten we verhinderen dat de economische machtsbalans verder in ons nadeel kentert. Dat vraagt om een goed georganiseerde markt met een assertief handelsbeleid. Maar belangrijker is het aanzwengelen van de groei. Een samenleving die niet langer gelooft in groei, is een dode samenleving. Groei is een uiting van dynamiek, creativiteit en vooral van het vermogen zichzelf opnieuw te vinden. Een stagnerende samenleving jaagt kapitaal weg en verliest haar zelfvertrouwen.

Handelsoverschotten boeken, horen we. Externe vraag kan inderdaad een nieuwe stimulans geven, maar hoe zal Europa ooit kunnen opboksen tegen groeilanden die goedkoper blijven en technologisch opklimmen?

Een industrieel beleid dan. Over de hele wereld kampt de industriële sector echter met groeiende overcapaciteit en het heeft geen zin fabrieken te financieren die zonder overheidssteun niet rendabel zijn.

Een nieuwe kennisrevolutie, brullen velen. Maar de inkomsten uit onderzoek en ontwikkeling nemen snel af omdat we met z’n allen in dezelfde kleine vijver vissen. Meer innovatie voor minder winst.

Ik wil hier het belang van technologie niet minimaliseren, maar er bestaat een reëel risico dat technologische hypes en de voortdurende pogingen van investeerders om zich als eerste te positioneren in nieuwe niches, de aandacht afleiden van belangrijke uitdagingen. We investeren in toptechnologie, maar consolideren onvoldoende aan de basis.

Waar halen we de groei dan wèl vandaan? Een kwaliteitsrevolutie in ons dagelijkse leven zou een onuitputtelijke bron van groei en welbevinden zijn. We besteden bijvoorbeeld 35 procent van ons inkomen aan huisvesting, maar de kwaliteit van de huisvesting neemt af. Het Europa tussen de blinkende kantoorgebouwen en de burgerwijken in is in verval. Nog eens 25 procent van ons inkomen vloeit naar gezondheidszorg en onderwijs, maar in welke toestand droppen we onze kinderen in scholen en hoe lang zijn de wachttijden in de ziekenhuizen? We besteden ook vijftien procent aan voedsel. Het aanbod is vorstelijk, maar we neigen naar klonters van suiker, soja en palmolie.

Kijk je goed naar deze cijfers, dan pas zie je hoe Europa verarmt – ondanks haar relatieve rijkdom.

Basisberoepen moeten worden opgewaardeerd. We hebben vakmensen nodig die goede woningen bouwen en goede wegen aanleggen, technici die onze treinen doen rijden, sterke onderwijzers, toegewijde verpleegkundigen. Zij zijn de belangrijkste bouwers van onze samenleving. We moeten af van de fixatie met bureaubaantjes en universitaire diploma’s die lang niet zoveel aan onze samenleving bijdragen als we aannemen. Het praktisch onderwijs moet ons paradepaardje worden; scholen waar fiere vakmensen worden opgeleid, creatieve geesten, spitsvondige technici en ambitieuze ondernemers.

Dat vereist meer burgerbewustzijn. Onze universitair geschoolden hebben er allemaal een basiscursus filosofie op zitten, maar zien in een schoenenwinkel het verschil niet tussen duur plaksel van kindarbeiders en degelijke Italiaanse producten. Een solide economie vraagt niet alleen om sterke producenten, maar ook om bewuste consumenten.

Zonder ambitieuzere standaarden redden we het niet. En standaarden schakelen de vrije markt niet uit. Dat is onzin. Het zijn juist de kortzichtige overheidsinterventies die de vrije markt bedreigen. Die creëren zeepbellen in de industrie, in de vastgoedsector en in financiële markten. Standaarden tillen de markt juist naar een hoger niveau. Zij verhinderen dat onze producenten worden weggemaaid door landen die de economische uitputtingsslag proberen te winnen door het vermogen en de waardigheid van hun burgers op het spel te zetten.

Elke samenleving heeft het recht om voor zichzelf te bepalen wat economisch waardevol is. Maar in de praktijk vereisen zulke keuzes macht en autonomie. Europa heeft die macht als grootste economie ter wereld, maar het moet te allen tijde voorkomen ‘verknecht’ te geraken aan buitenlandse kredietverstrekkers, energieproducenten en leveranciers van goedkope consumptiegoederen. Die creëren slechts een vals gevoel van welvaart.

Eigenlijk zijn alle grote spelers op zoek naar alternatieven voor enggeestige kredietpolitiek. De Chinese overheid heeft voor duizenden miljarden aan krediet van de gezinnen naar onrendabele fabrieken gesluisd en wil af van dat groeimodel. De Amerikanen houden met Chinees krediet de consumptie op peil en proberen zich nu met zeer vervuilend schaliegas een weg uit de schulden te banen. En dan hebben we het nog niet eens over de groeilanden met oplopende tekorten, die hun stedelijke middenklasse enkel kunnen onderhouden door natuurlijke rijkdommen te verpatsen aan de meestbiedende.

En dus baat een nieuw groeimodel niet alleen Europa. Het is een voorwaarde om te voorkomen dat de kwetsbare economische orde instort. Om te vermijden dat het optimisme over globalisering plaats maakt voor nieuw nationalisme en geweld.

De internationale politiek blijft een zaak van macht, maar de grote machtsverschuivingen werden tot stand gebracht door samenlevingen die de macht konden herdefiniëren. Dat kan Europa alleen met meer eensgezindheid, meer aandacht voor gemeenschappelijke politiek-militaire dreigingen en voor economische groei.