Hemel van ijs

In nauwelijks een week zijn de Winterspelen in Sotsji gedepolitiseerd. Politieke en humanitaire agenda’s ondergesneeuwd in ontroering en adoratie. Symbolisch voor de dooi was het biertje dat Vladimir Poetin in het Heineken Huis kwam drinken met Willem-Alexander en Máxima. Koning en koningin uit hun maskers van gereserveerdheid en staatsie gevallen. Lachend aan de pils. Een gelukkig stel, zo bleek later in hun innige omhelzing bij het schaatsen.

Wat ook opvalt: de prettige afwezigheid van paraderende bobo’s. Je ziet ze in Sotsji niet, de Henk Vonhoffs die alle podiumlicht naar zich toehalen. Anders dan in voetbal en wielrennen worden deze Winterspelen niet gekoloniseerd door institutionele ijdeltuiten. Er is vaak gedoe bij de schaatsbond en ballotage en nepotisme horen onverminderd tot de mores, maar een Anton Geesink of Henk Kessler van de Nederlandse schaatskolonie komt niet opdraven.

Het scheelt in esthetiek en hygiëne.

Zoals dat in calvinistische naties gaat, worden bij de monsterscore van het Nederlandse schaatsgild meteen vragen gesteld over de ethische zelfkant van de verbluffende dominantie. Te veel hemel, te weinig hel. Op weg naar twintig olympische medailles – kan dat wel voor polderland?

Een beetje prestige: alla, maar toch niet als grootmacht.

Het is de eeuwige onzin van godszoekers die vergeten gelukkig te zijn. Belgen hebben geen enkele moeite met de internationale dominantie van hun veldrijders.

Hoe langer hoe liever.

In topsport is iedere gewonnen wedstrijd een eeuwigheid. Sven Nys ploetert van eeuwigheid naar eeuwigheid. Waarom zou dat Ireen Wüst of Sven Kramer moeten ontzegd worden? Hun succes irriteert in niets. Nog steeds een jongen en een meisje met meer buitenlucht dan tierlantijnen om zich heen. Zoals Marianne Vos in het wielrennen delen ze hun extase met de fans. Bij het nederige af. Met een snel glundermoment en een huppelsprongetje op het podium is het succes gevierd.

Flitsend geluk, geen slepende jubel. Sprinters staan iets roekelozer in het schaatsleven. De broertjes Mulder mogen dan nog halvelings in de Heer zijn, voor evenveel god lopen ze de catwalk in Milaan en Parijs af. Kunstrijden zou ook kunnen: talent voor pluimage.

Mede door de commercialisering van de schaatssport zijn de sprintkanonnen nu in opmars. Zij introduceren moderniteit: snelheid en sensatie. De langebaanschaatsers zijn protestanten: mannen en vrouwen in monomane overgave. Aan Margot Boer fladdert meer dan aan Ireen Wüst. Zij is nog de vrolijke, uitgelaten versie van onschuld.

De gouden medaille van Stefan Groothuis is een godsgeschenk voor het Nederlandse schaatsen. Na een hel van depressies, aan de rand van zelfmoord, nu olympisch kampioen op de 1.000 meter. Schaatser met een rugzak vol drama. Niet zoals het zondagskind Sven Kramer, voor wie er tussen hemel en aarde alleen ijs is. Sven laat zijn vorm en concentratie niet aantasten door wijsgerig geneuzel van Kierkegaard of Nietzsche. Stefan kan niet zonder worsteling in de zoektocht naar Das Sein.

Al kan dat nu snel veranderen na zijn olympisch exploot.

Schaatsen is in Nederland én topsport én breedtesport. Over de toekomst hoeft niemand zich zorgen te maken. Zo veel gebalde trots hebben andere sporten niet te bieden. Zo veel massahysterie ook niet.

Wat werd aangekondigd als een rommeltje neigt in Sotsji naar perfectie. Schitterende ambiance, puik camerawerk, gevoel voor poëzie. Eén grote smet op deze Spelen: de correctieroof van Jan Smeekens. Even in de waan van goud en binnen de minuut gedeclasseerd tot zilver. Die wreedheid op een honderdste van een seconde doe je een olympische topsporter niet aan. Niet voor het oog van de wereld.

Verwerpelijk absolutisme, ouderwets stalinisme, zelfs.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.