Grote zilverreiger verovert de Hollandse polder

Verrassend snel is het aantal grote zilverreigers in ons land toegenomen. Waar komen die vogels vandaan?

Foto Flip Franssen

Tien jaar geleden was er onder vogelaars nog grote opwinding als er een groepje met vijf grote zilverreigers was gespot. Inmiddels zijn ze door bijna het hele land te zien, in grote aantallen.

Dat blijkt uit gegevens die vorige maand verzameld werden bij de vogeltelling van zo’n 1.800 vrijwilligers voor Sovon Vogelonderzoek Nederland. Het aantal overwinterende grote zilverreigers (Ardea alba) kwam voor het eerst boven de 3.000. Dat zijn er veel meer dan in Duitsland, België en Groot-Brittannië worden geteld. En de waarnemingen zijn nog niet allemaal verwerkt, zegt landelijk meetnetcoördinator Menno Hornman van Sovon. Een schitterende vogel, vindt Hornman: „Sierlijk en maagdelijk wit.”

Als het zo doorgaat, streeft de grote zilverreiger zijn ‘neef’ de blauwe reiger (Ardea cinerea) binnenkort misschien wel voorbij, zegt Hornman. „Op elke 10 blauwe reigers tellen we inmiddels 6 grote zilverreigers.” Maar verdringing is het niet; de grote zilverreiger en de blauwe reiger kunnen goed naast elkaar in hetzelfde gebied leven.

In heel Europa is de grote zilverreiger in opmars. Het januarinummer van het vakblad British Birds noemt verschillende oorzaken. Betere bescherming van de broedgebieden, verbetering van de leefomgeving in moerasgebieden en klimaatverandering spelen mee. Volgens sommigen speelt ook overbevissing een rol. Daardoor overleven vooral de kleine vissen, en juist die eet de zilverreiger.

Vanouds kwamen grote zilverreigers vooral voor rond de Middellandse Zee en in Centraal Europa. Ze nestelden in de uitgestrekte moerassen en vloedvlakten van de Donau in overjarig riet, soms ook in wilgen. Eeuwenlang werden volwassen zilverreigers gestroopt in het broedseizoen. Hun lange, hagelwitte staartveren sierden modieuze dameshoeden op. In Oost-Europa gebeurde dat nog op grote schaal tot aan de Eerste Wereldoorlog. Daarbij verloor de soort veel leefgebied doordat moerassen werden drooggelegd en vloedvlakten bedijkt.

Begin twintigste eeuw broedden in heel Europa maar enkele honderden paren. Als er in West-Europa een werd gezien, heette het ‘een dwaalgast’. Dat veranderde na 1980, toen Oost- en Zuid-Europese vogels nieuwe broedpopulaties stichtten in West- en Noord-Europa. In 1978 nestelde een paartje grote zilverreigers in de Oostvaardersplassen. Vanaf 1990 broedden ze daar elk jaar. Tien jaar later kwam de vaart er goed in. De kolonie in de moeilijk toegankelijke Oostvaardersplassen wordt in samenwerking met Rijkswaterstaat vanuit het vliegtuig geteld. De laatste zomertelling leverde zo’n 170 broedparen op. In Engeland, België en Duitsland werd pas in 2012 met succes gebroed.

’s Avonds vliegen de grote zilverreigers over kilometers afstand naar hun gezamenlijke slaapplaatsen toe. Die zijn altijd in de buurt van water. „In de avondschemering komen ze aangevlogen en dan kun je ze goed tellen”, zegt Hornman. Soms slapen er hooguit tien bij elkaar, maar in koude winters verzamelen zich grote groepen van wel 200 vogels. Ze slapen meestal in bomen. In strenge winters staan ze soms in grote groepen rechtop op het ijs te slapen.

De overwinterende vogels komen uit allerlei richtingen, zegt Hornman. „Sommige zijn als kuiken in Polen geringd. Misschien broeden ze daar ’s zomers in moerasgebieden en ontvluchten ze de barre Poolse winters door naar kustgebieden uit te wijken. Andere zijn in Frankrijk geringd. We zien ook ringen uit de Oekraïne.”

Als het ook in Nederland echt koud wordt, dan trekken de overwinterende zilverreigers naar de kuststreek. De meeste wateren daar bevriezen niet, zodat de vogels er kunnen blijven jagen. Blauwe reigers daarentegen zijn honkvaster. Die sterven in strenge winters veel vaker de hongerdood en staan soms vastgevroren in hun eigen sloot. Ze hebben ook de gewoonte al vroeg in het seizoen met de eileg te beginnen. Dat maakt blauwe reigers in barre winters extra kwetsbaar.