Geen goud zonder een ijsbaan

Waarom Nederland al die medailles voor zich opeist? In de meeste andere landen zijn er nauwelijks banen van vierhonderd meter.

Een land met duizenden schaatsers. Op school rijden ze, of in het winkelcentrum. Ze schaatsen in competities voor bedrijven, universiteiten. Grenzeloos zijn de mogelijkheden in Zuid-Korea, organisator van de volgende Winterspelen, Pyeongchang, 2018. Toch klopt er iets niet: van de ontelbare ijsbanen in het land is er precies één met een lengte van vierhonderd meter. „Op de langebaan hebben we iets meer dan tweehonderd schaatsers”, verzucht Kevin Crockett, coach van olympisch kampioene (langebaan) Lee Sang-hwa. Shorttrack, dat doen Koreanen veel liever.

Zuid-Korea, land met vijftig miljoen inwoners, heeft minder langebaanschaatsers dan, bijvoorbeeld, ijsclub De Hondsrug in het Drentse dorp Drouwen (485 inwoners). De Nederlandse overval op het olympische ijs van Sotsji heeft alle grote kranten van de wereld gehaald. Halverwege de Spelen heeft TeamNL tweederde van de medailles. Verklaringen varieerden van de grachten in Amsterdam tot koning Willem-Alexander, van commerciële ploegen tot de Elfstedentocht.

Hoe staat het dan met de schaatscultuur in andere landen die ooit succesvol waren op de langebaan? „Dit jaar was het tot half januari prachtig in Noorwegen”, zegt Øystein Haugen, manager van de Noorse schaatsploeg. „Koud, geen sneeuw op het ijs. Dan wordt er volop geschaatst. Dan gaat het sneeuwen en is het voorbij.”

Ook in Zweden trekken liefhebbers ’s winters naar de meren in het bevroren hart van hun land. „Met de familie een heel weekend op pad om een wedstrijd te schaatsen, met honderden deelnemers”, zegt schaatsstatisticus Nol Terwindt. „Slapen met tentjes langs het ijs, zondag weer naar huis. In Finland gebeurt dat ook, al is er wel een beetje koud. En ze maken de meren niet sneeuwvrij, dat gaat niet.”

Aan liefde voor het schaatsen ontbreekt het niet in de Scandinavische landen, die in de twintigste eeuw tientallen jaren de Nederlanders de baas waren. Maar om recreanten op te leiden tot topschaatsers, jaar na jaar, daarvoor is meer nodig. „Vooral de jeugd wil niet meer de kou en de regen in”, zegt de Noors-Nederlandse coach Bjarne Rykkje. Juist in het Noorse schaatsmekka Bergen, waar de sport nog springlevend is, hebben de voorvechters van een overdekte ijshal moeten toezien hoe hun regenrijke stad koos voor een nieuw zwembad.

Zo anders dan in Nederland is de Noorse schaatscultuur niet. „Wij hebben nog steeds families die naar de baan komen, een kaartje kopen en rondjes gaan schaatsen”, zegt de Noorse bondscoach Jarle Pedersen. Via banen als Oslo (Frogner, Valle Hovin), Bergen, Stavanger en Arendal brengt het oude schaatsland ook nog altijd talent voort, maar de vijver wordt elk jaar kleiner. Al was het maar vanwege de concurrentie van andere wintersporten. De Noren hebben genoeg voordelen van hun geografische ligging. Het land grossiert al jaren in olympische sneeuwmedailles. „Wat Nederland heeft met schaatsen, hebben wij met langlaufen”, zegt Haugen.

Noorwegen telt nog zo’n 1.250 wedstrijdrijders en 65 schaatsclubs. Ter vergelijking: Nederland heeft er ongeveer 15.000, en ruim zevenhonderd clubs. „Met zo’n smalle basis is het voor ons moeilijk om geregeld toppers af te leveren”, zegt Pedersen. Hij ziet wel een oplossing: leg een verband met shorttrack en inlineskaten, sporten die de Noorse jeugd meer aanspreken. „Dan wordt de groep talenten weer groter.”

In Canada – dat grote kampioenen voortbracht als Gaetan Boucher, Catriona LeMay-Doan, Cindy Klassen en Jeremy Wotherspoon – groeit elke schaatser op met de combinatie van shorttrack en longtrack. „De cijfers zijn best gezond”, zegt Boucher, in Sotsji commentator voor Radio Canada. „IJsbanen en clubs in alle provincies, genoeg talent.”

Maar de vierhonderdmeterbanen verliezen ook in de barre klimaten van Canada snel aan populariteit. Neem zijn ‘eigen’ Gaetan Boucher Oval, in Quebec. „Je ziet er nauwelijks nog recreanten. De talenten moeten naar de overdekte baan in Calgary om zich verder te ontwikkelen. Maar de meesten brengen die stap niet op, het is bij ons een onzekere toekomst.” Tekenend voor de afnemende vraag is dat de olympische hal van Vancouver, in buurstad Richmond, direct na de Winterspelen van 2010 zijn functie als ijsbaan verloor.

De concurrentie van het ijshockey, de nationale sport van Canada, is moordend. „Een van mijn zoons was een goede schaatser”, vertelt Boucher, die in 1984 (Sarajevo) tweemaal goud haalde op de middenafstanden. „Maar hij vond het leuker om met z’n vrienden te ijshockeyen.”

In de Verenigde Staten, waar het schaatsen ondanks de erfenis van Eric Heiden nooit groot was, zakt de sport nog verder weg. „Er is niets meer van over”, constateert de Amerikaanse coach Peter Mueller, olympisch kampioen in 1976 (Innsbruck). „Vroeger had je schaatsfamilies die elke week wedstrijden reden, van Wisconsin tot Canada. De Heidens, de Jansens. Nu zie ik nog hooguit enkelingen schaatsen op The Pettit in Milwaukee.”

De paar toppers die Amerika nog voortbrengt, zijn vaak al kapot getraind voordat ze kunnen oogsten, zoals Trevor Marsicano of Jonathan Kuck. Als jonkie Emery Lehman ook op dat pad terechtkomt, is het klaar, denkt Mueller. „In Nederland worden tientallen van dat soort jongens opgeleid. It’s a numbers game.” De geringe aanwas die er nog is, komt vooral van inlineskaters, die in hun eigen sport geen olympische medailles kunnen winnen. Maar de huidige top ontbreekt het aan geld en een goed trainingsprogramma. „Het is ongeorganiseerd.”

Terug naar Europa, de bakermat van de langebaan. In Duitsland, dat bij de vrouwen jarenlang de dienst uitmaakte, is de organisatie niet het grootste probleem. Net als Noorwegen telt het land nog zo’n 1.200 schaatsers. Maar de aanwas vanuit de jeugd loopt sterk terug, zegt bondsvoorzitter Gerd Heinze. „Typerend is dat je op de ijsbanen in Duitsland geen noren kunt huren, maar alleen kunst- of ijshockeyschaatsen.”

In de jaren zestig in toenmalig Oost-Duitsland, waar Heinze zelf onder meer op een EK tegen Kees Verkerk schaatste, kwamen vanuit de scholen acht- of negenhonderd kinderen af op een proeftraining in Berlijn. „Mijn hele klas van dertig ging mee. Vijf van hen zijn goede schaatsers geworden. Zo bouw je als land een schaatstraditie op.” Maar na de eenwording, in 1990, werden de Oost-Duitse opleidingsstructuren ontmanteld. „Nu zie je op onze overdekte banen van Erfurt, Berlijn en Inzell nog hooguit enkele tientallen junioren schaatsen”, zegt Heinze. „Het is moeilijk voor zulke kleine aantallen de trainingsfaciliteiten in stand te houden die je nodig hebt om op te leiden voor de wereldtop.”

In alle landen geldt dat kinderen veel meer keuzes en afleidingen hebben dan vroeger. De offers die een topschaatser jarenlang moet brengen, wegen voor ouders en kinderen buiten Nederland niet op tegen de geringe kans op enige beloning. Die landen blijven afhankelijk van eenlingen. Neem de elfjarige Victoria Stirnemann, dochter van oud-olympisch kampioen Gunda Niemann. Zij reed onlangs in Erfurt een toptijd van 45 seconden op de 500 meter. „Zij heeft ouders die weten wat topsport inhoudt”, zegt Heinze.

Toch is het schaatsen niet overal een aflopende zaak. De Spelen van Sotsji hebben in Rusland nieuwe bronnen aangeboord. Het land heeft hypermoderne indoorbanen in Moskou, Kolomna, Tsjeljabinsk en Sotsji. „Daar zie je ook ouders met hun kinderen naar de baan komen”, zegt de Russische bondscoach Kosta Poltavets. „Bij wedstrijden zie je veel deelnemers, het fundament is best goed. Er zijn ook genoeg trainers voor de jeugd. De volgende stap is opleiden voor de top.”

Poltavets heeft gezien dat de Spelen in Sotsji veel enthousiasme losmaken. „Een van de doelen van deze Spelen is om Rusland op termijn terug te brengen als sportland nummer één.” Als schaatsland bracht de Sovjet-Unie in de vorige eeuw met regelmaat grote kampioenen voort, van Jevgeni Grishin tot Igor Malkov.

Ook Rusland staat inmiddels op grote achterstand van Nederland, maar heeft wel toekomst. „We moeten onszelf niet gaan vergelijken met Nederland, of het Nederlandse model implementeren”, zegt Poltavets. „We moeten proberen opnieuw een schaatscultuur te kweken. Het vuur moet gaan branden vanuit een wat kleinere groep dan men in Nederland gewend is. Je hebt zes tot acht jaar nodig om wereldtop te kweken. Ik geloof erin dat Rusland terugkomt aan de wereldtop.”