Opinie

Euthanasie moeten we niet normaal gaan vinden

Dood door misdrijf is altijd verschrikkelijk. Maar dat het nou juist oud-minister Borst moest overkomen, die zich jarenlang inzette voor een zacht, humaan en zelfverkozen levenseinde, is wel héél cru. Middenin de week van de euthanasie nog wel.

Euthanasie is een onderwerp waarover we, ook meer dan tien jaar na wettelijke regeling, nog niet zijn uitgepraat. Bij RTL Late Night hadden ze afgelopen woensdag voor de gelegenheid gasten uitgenodigd die in hun nabije omgeving met euthanasie te maken hadden gehad. Eén van de gasten vertelde over haar moeder die aan darmkanker leed en euthanasie wilde. Toen moeder zelf klaar was om te sterven, beoordeelde de zogeheten SCEN-arts (aan wie doorgaans de wettelijk verplichte ‘second opi-nion’ wordt gevraagd) dat ze niet ondraaglijk leed. En dat is wel één van de criteria die euthanasie onderscheidt van moord. Gevolg: een uitgestelde euthanasie, teleurgestelde patiënt en woedende familie.

In een onderzoek uit 2011 geeft eenderde van de huisartsen aan bij euthanasie steeds vaker druk van familie en patiënt te ervaren. Dat is ernstig, want de uitvoerend arts is ook maar een mens. Hij moet de handeling aan zichzelf kunnen verkopen en dat heeft met méér te maken dan alleen medisch-ethische standpunten. Euthanasie is geen huis-, tuin- en keukenbehandeling. Zelfs voor ervaren artsen blijft het aangrijpend om uit te voeren, hoe liberaal ze ook zijn. De patiënt is eerst levend, en daarna, door jouw toedoen, dood. Dat is een zware beslissing die vaak te midden van een overvolle patiëntenpraktijk (inclusief nachtdiensten) moet worden genomen.

Nu, meer dan tien jaar na de invoering van de euthanasiewet, wordt deze steeds ruimer toegepast: bij psychiatrische aandoeningen, dementie, zelfs een patiënt met ernstige smetvrees werd geëuthanaseerd. De zorgvuldigheidseisen, waaronder ondraaglijk en uitzichtloos lijden, worden steeds ruimer geïnterpreteerd. In België kunnen sinds deze week zelfs minderjarigen euthanasie krijgen.

Ik vind het een moeilijke ontwikkeling. Zelfs als je de psychiatrische of minderjarige patiënt in staat acht een weloverwogen besluit te kunnen nemen, dan nog moet je een arts vinden die zo’n beslissing niet alleen steunt, maar ook bereid is die uit te voeren.

Het probleem is dat geen enkel geval van euthanasie op zichzelf staat. In een ander ziekenhuis voelt een andere arts bij een soortgelijke patiënt misschien wél gewetensbezwaren. Gevolg is een gevoel van onrecht, willekeur. Waarom heeft de één wél recht op een onnatuurlijke dood, en de ander niet?

Er ontstaat grote druk op de bezwaarde arts, ontevreden familie, ontevreden patiënt. Alles wat je niet wilt rond het levenseinde. En hoe verder we de grenzen van euthanasie oprekken, hoe vaker dit zal gebeuren.

De enige oplossing is begrip tonen. De patiënt en de familie moeten beseffen dat euthanasie geen reguliere geneeskunde is, geen gewoon spuitje, of pilletje, of ingreepje waar je ‘recht’ op hebt, maar dat ook het geweten, persoonlijkheid en levenshouding van de arts meespelen. Soms moet het daardoor worden uitgesteld, soms kan het zelfs helemaal niet doorgaan. Dit besef is een belangrijke voorwaarde waaronder euthanasie een vredig einde blijft.