De weg van alle vlees loopt dood

Door de groei van de wereldbevolking en de stijgende welvaart zal de vleesconsumptie tot 2050 misschien verdubbelen. Wat kost goedkoop vlees echt?

Biggen van 21 dagen oud in een vrachtwagen, vlak voor transport, in 2012, in de Amerikaanse staat Illinois.
Biggen van 21 dagen oud in een vrachtwagen, vlak voor transport, in 2012, in de Amerikaanse staat Illinois. Foto Bloomberg

De dode lichamen van 36 everzwijnen spoelden in juli 2011 aan op het strand van de toeristische badplaats Saint Maurice in Bretagne. Ze waren aangevoerd vanuit de rivier Gouessant. Onderzoek naar de doodsoorzaak leidde terug tot de mest van de regionale intensieve varkenshouderij. In reusachtige hoeveelheden wordt de stront jaarlijks uitgereden over de maïsakkers, en sijpelt dan door naar sloten, rivieren en zeeën. Daar zorgt de mest, zeker bij warm weer, elk jaar weer voor een explosieve algengroei. De algen op hun beurt produceren waterstofsulfide. Inademing van die stof kan fataal zijn. Zoals in 2011.

Het is een van de vele confronterende voorbeelden uit het boek Farmageddon, dat gevolgen van de mondiale intensieve veehouderij beschrijft. En daar zijn er veel van. Op elkaar geprakt vee, zieke arbeiders, ontbossing, dode rivieren. Het is een industrie die primair wordt gedreven door efficiëntie – meer vlees tegen almaar lagere kosten. Die aanpak zorgt voor een hoop collateral damage. En het is meestal niet de industrie zelf die voor de schade opdraait. Die wordt, in economische termen, geëxternaliseerd.

Eindtijd

Het ene na het andere voorbeeld van de slechte condities waaronder dieren worden gefokt, wordt opgelepeld. Op elkaar gepropte leghennen in Taiwan, melkvee in Californië, varkens in China. Soms staan de dieren op de dode lichamen van soortgenoten. Het feit dat auteur Philip Lymbery alle plekken heeft bezocht, maakt de ellendige omstandigheden voelbaar.

Lymbery heeft dan ook een hoop ervaring met de industrie. Hij reist al zeker 25 jaar over de wereld voor Compassion in World Farming, een organisatie die vecht voor verbetering van dierenwelzijn in de veehouderij. Sinds 2005 is hij er directeur.

Al vrij snel in het boek legt hij uit wat hem drijft. Hij is een groot natuurliefhebber en vooral een fervent vogelaar, al sinds zijn twaalfde, toen hij als door de bliksem getroffen werd door het boek The Peregrine (vertaald als: De slechtvalk) van J.A. Baker. Sindsdien ziet hij met lede ogen aan hoe steeds meer vogelsoorten in aantallen achteruit gaan. Ook op het Britse platteland waar hij woont.

Die achtergrond geeft het boek wel een bijsmaak. Klopt het wel wat Lymbery, samen met journaliste Isabel Oakeshott van The Sunday Times, allemaal opschrijft? Overdrijft hij niet? Is dit campagnetaal?

Dat de veehouderij een grote impact heeft op de aarde, is in ieder geval niet nieuw of verzonnen. Het is al eerder goed gedocumenteerd beschreven, bijvoorbeeld door de Wereldvoedselorganisatie, de FAO. Een paar feiten uit het rapport Livestock’s long shadow uit 2006. Van alle landbouwgrond wereldwijd wordt zeventig procent gebruikt voor veehouderij. De ene helft voor het houden van dieren – met name weilanden nemen veel ruimte in beslag – en de andere voor het verbouwen van veevoer zoals soja en mais.

De veehouderij is de belangrijkste bron voor ontbossing en de snelle afname van het aantal dieren en planten. Het is ook de belangrijkste bron voor vervuild water, met zijn mest, overmatig gebruik van antibiotica, bestrijdingsmiddelen voor het verbouwen van veevoer en chemicaliën die leerlooierijen gebruiken. Behalve een vervuiler van water, is het ook een grootverbruiker van water. En een cruciale bron van broeikasgassen.

Alleen zet Lymbery het allemaal net even iets zwaarder aan. De titel van het boek zegt wat dat betreft al genoeg. Het is een religieuze verwijzing naar de eindtijd. Maar de intensieve veehouderij luidt echt niet de laatste dagen van de mensheid in. En zo is de varkenshouderij in Bretagne ook niet de enige bron van algengroei aan de kust, zoals het boek doet voorkomen. Wel veruit de belangrijkste, maar niet de enige. En doordat Lymbery binnen hoofdstukken verspringt van het ene naar het andere continent, krijgt de lezer de indruk dat de situatie overal ter wereld even erg is. Terwijl er bijvoorbeeld in Europa al veel is gebeurd om het gebruik van bestrijdingsmiddelen terug te dringen en het welzijn van vee te verbeteren.

Lymbery maakt een fout als hij beweert dat er een beter alternatief is voor de intensieve veehouderij. Hij is voorstander van een systeem met kleinschalige, gemengde boerderijen. Liefst biologisch. Maar dat zo’n systeem minder ruimte in beslag zou nemen, onderbouwt hij niet. Daarvoor ontbreken de cijfers ook.

Biologische landbouw heeft per hectare een lagere opbrengst, dus om even veel veevoer en vlees te produceren, vraagt zo’n systeem juist meer ruimte. En dat gaat ten koste van nog meer natuur. Probleem is dat Lymbery de door hem vermaledijde intensieve veehouderij vergelijkt met een alternatieve situatie waarin veel minder vlees wordt gegeten. Ja, in zo’n systeem passen wellicht kleinschalige, gemengde boerderijen. Maar dan zou de wereldwijde vleesconsumptie wel eerst sterk af moeten nemen. En daar is geen sprake van. Integendeel. Door de groei van de wereldbevolking en stijgende welvaart in onder meer China, India, Brazilië, zal de wereldwijde vleesconsumptie tot 2050 naar verwachting verdubbelen.

Afvalberg

Farmageddon is niet het eerste boek dat de intensieve veehouderij aan de kaak stelt. Eric Schlosser schreef met zijn Fast Food Nation al in 2001 een aanklacht, maar die richtte zich vooral tegen de Amerikaanse fast food-cultuur en de erbarmelijke arbeidsomstandigheden voor de werknemers in de industrie. In Nederland kreeg in 2008 de film Meat the truth, die in opdracht van de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme werd gemaakt, veel aandacht. Die ging echter grotendeels over de bijdrage aan het broeikaseffect.

Farmageddon richt zich vooral op het vee, de slechte omstandigheden waaronder het gehouden wordt, de gevolgen van het antibioticagebruik, het mestprobleem. En ook veel aandacht voor veevoer (soja, maïs, tarwe, vermalen vis) en wat er voor nodig is om het te verbouwen. Het land, het water, de bestrijdingsmiddelen. Het geeft een indringend beeld van de praktijken in de intensieve veehouderij. Het onderstreept ook hoeveel consumenten en supermarktketens weggooien. Alleen al dat afval verminderen, zou veel helpen.

Het boek maakt duidelijk hoe traag veranderingen gaan als je het van de politiek moet hebben. Zo doet Frankrijk al tien jaar te weinig tegen de algenbloei aan de kust van Bretagne, en volgt het Europese richtlijnen niet op. De Europese Commissie heeft deze kwestie twee jaar geleden voor het Hof van Justitie gebracht.

Daarom, schrijft Lymbery, doet hij sinds een aantal jaren net zo lief zaken met multinationals als Walmart, Carrefour, Tesco en Unilever, die aan een duurzaam imago werken. Het heeft effect als zo’n bedrijf eieren uit de legbatterij vervangt door scharreleieren.

Farmageddon eindigt met oplossingen. De belangrijkste boodschap: eet minder vlees, als je vlees koopt dan zo duurzaam mogelijk, en gooi zo weinig mogelijk weg.

De vraag is welke doelgroep Lymbery en Oakeshott precies voor ogen hebben met hun boek. De vegetariër weet het meeste waarschijnlijk al. En welke vleeseter gaat zich vrijwillig door 350 pagina’s van ellende worstelen om tot de conclusie te komen dat hij misschien toch een keer zijn consumptiepatroon moet aanpassen?