De duiding Eerst de emotie, dan soms de feiten De week van Plasterk in 1 minuut

Minister Plasterk is onderwerp van een politiek spel Met Pechtold en Samsom als belangrijke spelers Hoog tijd voor overzicht: de duiding, de speculaties en de feiten

Ik ben woedend – dat is nu dus ook in de openbare politiek beland. Woede als stijlfiguur, woede als drukmiddel. Hoogstpersoonlijke woede.

We konden het deze week in de affaire-Plasterk van nabij aanschouwen. De politiek leider van de PvdA die midden in de nacht openlijk woedend was op zijn collega van D66. Na nota bene een debat over geheime diensten, bij uitstek een thema, zou je zeggen, om het hoofd koel te houden.

Er circuleerden verklaringen die een zekere logica, zelfs geldigheid, aan Samsoms woede op Pechtold gaven. Kan zijn. Mij frappeerde het kale feit: de openbare woede als zodanig. En de roekeloze houding die er, in elk geval die dinsdagnacht, mee gepaard ging: kan niet schelen welke gevolgen mijn emoties hebben.

Ik ben woedend – als politiek begrip heeft de term een zekere individualisering doorgemaakt.

Hollandse woede

Twintig jaar terug was het nog een manier om je bij het naoorlogse verzet aan te sluiten. Toen, in 1993, zorgde een aanslag op een Turks gezin door Duitse neonazi’s ervoor dat 1,2 miljoen Holländer een briefkaart met die tekst naar de Bondsdag stuurde. De bekende Hollandse woede – geconstrueerd en consequentieloos, alleen bedoeld om de eigen goedheid te accentueren.

Tien jaar later, in 2002, kregen we Pim, die ook woedend was, maar de schuldigen niet meer zocht op een vaag adres ver weg. Hij richtte zijn woede op Paars, de wachtlijsten in de zorg, de islam, de NRC, Melkert, Marokkanen, de elite.

Belangrijker: zijn succes overtuigde de volgende generatie beroepspolitici, en Wilders versterkte dit, dat het in de Haagse arena niet meer primair om feiten en cijfers gaat. Het beste bewijs hiervoor vormde uiteindelijk het CDA-congres van 2010, toen die partij haar honderdjarige bestuurderstraditie overboord kieperde door het debat over samenwerking met de PVV in vooral emotionele termen te voeren.

Ook PvdA’ers verloren intussen het geloof in politiek op rationele grondslag. Zo noteerde het Kamerlid Mei Li Vos in een boek na haar eerste Kamerjaren (Politiek voor de leek, 2011) dat je een debat niet meer naar je toetrekt met feiten en cijfers.

„Politiek gaat over identiteit, angsten en hoop”, schreef ze, „en als je denkt dat je kunt winnen met feiten, ben je naïef, of een backbencher”.

Zover is het dus gekomen: zelfs in de sociaal-democratie, als idee toch gebaseerd op een puur rationele maatschappijanalyse, geven mensen nu toe aan emotie als politieke stijlfiguur. Zo bezien is het niet eens vreemd dat ze daar een leider kozen, Samsom, die deze week, beredeneerd of niet, woede aanwendde om een politiek punt te scoren.

De diepere gevolgen van het verschijnsel zijn in elk geval niet gering. Want welbeschouwd was die hele Plasterk-zaak een blijk van omineuze emotiegedrevenheid. Bij politici, bij media, bij burgers. Doen boven denken. Spanningsopbouw boven feitelijkheid. Effectbejag boven effectiviteit. Emocratie die de democratie in de weg staat.

Een beeld rechtzetten. Een bééld

Om te beginnen zag je het bij Plasterk zelf. De minister beaamde deze week dat hij zichzelf in de problemen had gebracht omdat hij bij Nieuwsuur, 30 oktober vorig jaar, een „beeld”, geen feiten, recht wilde zetten. Een bééld.

En het was erger. Dit beeld bestreed hij weer met een eigen beeld, dat óók niet was gebaseerd op feiten. Zo raakte hij als politieke baas van de nationale veiligheidsdienst de weg kwijt in een spiegelpaleis van eigen makelij.

En nadat de zaak vorige week ontplofte, met het briefje waarin Plasterk beaamde dat hij vorig jaar in zijn openbare optredens verkeerd had gegokt, kregen we de volgende fase: media en oppositie die samen een ministerscrisis construeerden. Met opnieuw dezelfde dynamiek: eerst de emotie, soms gevolgd door feiten.

Je zag het al op de dag van dat briefje, toen in de avondjournaals het bekende ‘topoverleg in het Torentje’ gemeld werd. Die woorden, het ritme van het zinnetje, de wijze waarop ze dit op televisie uitspreken – het heeft maar één betekenis: crisis, mensen.

Ook al weten wij, buitenstaanders, op dat moment amper wat ze precies in dat Torentje bespreken, laat staan welke conclusie ze zullen trekken. Topoverleg in het Torentje: het beste bijna-nieuws dat Den Haag kent.

En achteraf – maar ik geef toe: dit is gemakkelijk praten – was het ook amper crisis: onder leiding van Rutte kwam de coalitie vrijwel ogenblikkelijk tot de slotsom dat ze Plasterk zouden redden. De PvdA wilde dat, de VVD dacht: het kabinet is belangrijker.

Dat ‘topoverleg in het Torentje’ was kortom juist de afwending van een politieke crisis. Zo hadden ze dat eind vorige week – vier dagen voor het debat in de Tweede Kamer – in de coalitie al beklonken.

Dus alle berichtgeving daarna, de ‘oplopende spanning’ tot het debat van dinsdag, was opnieuw eerder emotie, aangezwengeld door de oppositie, dan een feitelijke stand van zaken.

Natuurlijk – Plasterk moest zich nog in de Kamer verweren. En Weekers had laatst laten zien dat zelfs coalitiesteun soms niet genoeg is. Bovendien stond Plasterk inhoudelijk zwak: hij had aangetoond dat hij niet wist wat zijn eigen dienst voor operaties uitvoert, en had zijn vergissing daarna wel erg handig verstopt achter het harnas van operationele geheimhouding.

Maar ook het Kamerdebat, zelfs het Kamerdebat, draaide uiteindelijk meer om gevoel dan om feiten.

Doen alsof ze debatteren

In een fraaie column sprak Theodor Holman in Het Parool deze week van ‘debatkitsch’: Kamerleden die doen alsof ze debatteren maar slechts grote woorden gebruiken (‘u hebt gelogen’, ‘het is hier geen café’) omdat ze zelf de schijnwerpers zoeken. Kamerleden, kortom, die zo druk zijn met het eigen imago dat ze er even niet aan toekomen de minister in de problemen te brengen.

Dat Samsom na het debat niettemin woedend was, had alles te maken met de inhoud van de motie van wantrouwen die Pechtold tegen Plasterk indiende.

Maar er speelde meer. PvdA en D66 zijn sinds mensenheugenis electorale concurrenten. En afgezien van Van Mierlo en Den Uyl in de jaren zeventig, die innig bevriend waren, is de relatie van PvdA- en D66-leiders altijd moeizaam geweest. Wat dat betreft loopt er een rechte lijn van Den Uyl en Terlouw (de breuk van 1982) via Kok en Van Mierlo (gedoe in Paars I) naar Samsom en Pechtold.

En bij die laatste twee is er, net als destijds bij Terlouw en Den Uyl, eigenlijk sprake van onverenigbaarheid van karakters. Het is dus óók (en alweer) emotie.

Samsom is in essentie een romanticus die weekhartig wordt van grootse gezamenlijke gebaren. Pechtold is een liberale individualist die andermans loyaliteit test door die ander, ook als hij met hem samenwerkt, telkens onder vuur te nemen.

En Pechtold is beter in presentatie dan inhoud. Samsom kent alle beleidsdetails, maar wordt boos, zoals NRC-collega Derk Stokmans in zijn boek over de PvdA-leider schreef, zodra mensen feiten onjuist weergeven. Een vlotte samenwerking kan dit dus nooit meer worden.

Maar waar in de jaren van Den Uyl en Terlouw kennis macht was, is nu emotie macht: terwijl ze vanuit D66 al sinds woensdagmorgen probeerden het conflict klein te houden, toonde Rutte vrijdag „heel veel begrip voor de irritatie bij Samsom”. Dit was het meest onheilspellende van de hele week: de openbare woede die ten slotte beloond werd.

Het illustreert eens temeer dat we niet te maken hebben met de sterkste generatie politici. Zelfs nu gisteren het beste economische nieuws in jaren kwam – een groei van 0,7 procent in het laatste kwart van 2013 – slaagden zij erin dit goede nieuws in de weg te zitten met onderlinge conflictstof.

Ze hadden ook een voorbeeld kunnen nemen aan minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD). Als enige direct betrokkene liet zij zich in deze zaak op de beslissende momenten niet meeslepen door emotie. Niet deze week in het debat en niet vorig jaar, toen ze collega Plasterk aanraadde te wachten met openbaar praten totdat de koele feiten beschikbaar waren.

Hadden hij en al die andere emotiegedreven mannen een voorbeeld aan haar rationaliteit genomen – dan hadden we dit hele drama niet gehad.