Belaagd, belast, slecht betaald, en toch weer verkiesbaar

Kandidaat-leden voor de gemeenteraad zijn gewaarschuwd: het raadswerk is ronduit zwaar, zegt eenderde van de huidige raadsleden. Dat blijkt uit onderzoek van deze krant. Door de bezuinigingen en decentralisaties wordt de werkdruk alleen maar groter. „Met een fulltimebaan en gezin is het raadswerk eigenlijk niet te combineren.”

Een bijna continue stroom aan rapporten en vergaderingen. Avonden en weekenden aan het werk, naast de eigenlijke baan. Minder sport, minder tijd voor je gezin, een aanslag op je persoonlijk leven.

Nieuwe kandidaat-raadsleden zijn in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart gewaarschuwd. Want in deze bewoordingen typeren de gemeenteraadsleden van nu hun politieke werk. Ruim eenderde van hen noemt het raadswerk „zwaar” tot „zeer zwaar”, zo blijkt uit een enquête onder 2.361 van de ruim 9.000 raadsleden, uitgevoerd door onderzoeksbureau Overheid in Nederland en NRC Handelsblad. Nog eens 58 procent betitelt het raadswerk als „redelijk zwaar”. Raadsleden die de functie fluitend aankunnen, zijn verreweg in de minderheid: 8 procent.

Raadswerk wordt wettelijk beschouwd als een nevenfunctie: lokale volksvertegenwoordigers worden geacht er een normale baan naast te hebben. Raadsleden krijgen dan ook geen salaris voor hun werk, maar slechts een vergoeding op basis van inwonertal: 14.000-24.000 inwoners: 580 euro bruto per maand. 60.000-100.000: 1.372 euro bruto. De helft van de gemeenten telt minder dan 25.000 inwoners.

Bijna vier van de tien raadsleden werken dan ook fulltime, blijkt uit de enquête. Maar, zeggen de raadsleden in de toelichting die zij anoniem invulden: het raadswerk goed doen vergt óók minstens twintig uur per week. Zoals een raadslid het formuleert: „Met een fulltimebaan en een gezin is dit eigenlijk niet te combineren.”

Ergens moet het dus spaak lopen. Op het werk: een zzp’er schrijft dat hij door zijn raadswerk maandelijks 1.600 euro aan opdrachten misloopt. Of thuis: raadslid na raadslid zegt dat het werk ten koste gaat van het gezinsleven. Of, optie drie, het raadswerk zelf sneeuwt onder. Uit de enquête blijkt dat liefst 15 procent van de fulltime werkende raadsleden vijf tot tien uur per week aan het raadswerk besteedt. Te weinig om de macht effectief te controleren, zeggen ze in koor. Lang niet alle raadsleden hebben er een baan naast: 27 procent heeft geen betaald werk. De raad vergrijst, merken meerdere raadsleden op. „Veel vutters en gepensioneerden”, zegt een van hen. „De raad is geen goede afspiegeling meer van de samenleving.”

Wat maakt het werk zwaar en tijdrovend? Het vergaderen. Met de raad, met de fractie, de coalitie, raadscommissies. De bezuinigingen als gevolg van de crisis hakken er ook in. „Het is moeilijker om oplossingen te vinden”, zoals een raadslid het omschrijft. Gemeentelijke herindelingen zorgen in menig raadhuis voor extra bureaucratische rompslomp. De opstelling van het college kost ook energie, zeggen de raadsleden. Ruim de helft, 54 procent, zegt dat het college de raad beter moet informeren. Taal in raadsstukken is opzettelijk ingewikkeld of juist vaag, het college weigert de juiste cijfers te geven, of biedt „als tactiek” juist zoveel mogelijk stukken aan: „Kunnen ze later nooit zeggen dat we niet geïnformeerd zijn.”

En dan zijn er de naderende decentralisaties, die nu al tijd kosten: raadsleden bereiden zich voor op complexe dossiers als de jeugdzorg. Steeds meer taken worden bovendien belegd in bovengemeentelijke samenwerkingsverbanden, en dat leidt weer tot een grotere vergaderdruk: ook ‘in de regio’ moet worden gepraat. Liefst tweederde van de raadsleden zegt het raadswerk anno 2014 dan ook zwaarder te vinden dan toen zij begonnen – vier, acht, twintig jaar geleden. Een raadslid uit het noorden: „We hebben nu drie tijdvretende kwesties. Aardbevingen, decentralisaties en herindelingen.”

En de werkdruk zal toenemen, verwacht 77 procent. Puur door de grote decentralisatieoperatie van 2015, inclusief miljardenbezuinigingen. Meer taken voor de gemeente, zoals de zorg voor thuiswonende zieken en gehandicapten. Politiek gevoelig bovendien, dus met een hoger afbreukrisico. Maar budgetten dalen. „De bezuinigingen vergen een nog helderder verantwoording naar de burger”, zegt een raadslid. „Er komen steeds meer taken die specifieke kennis vragen”, schrijft een ander.

Kennisgebrek

Financieel-economische kennis – belangrijk om begrotingen te controleren – is nu al een heikel punt, zo blijkt. Een op de drie raadsleden vindt de eigen kennis op dat vlak „matig” of „onvoldoende”. Dat is niet per se problematisch, zeggen zij: anderen in de fractie hebben die kennis vaak wel. De griffie, de advies- en ondersteuningsdienst van de gemeenteraad, biedt ook hulp, en soms de lokale rekenkamer. Andere raadsleden zien hun kennisgebrek wel als een probleem. „Financiële kennis is zeer noodzakelijk, ik zie dat er veel verandert, maar ik heb te weinig tijd om me erin te verdiepen.”

Los daarvan: lang niet elk raadslid kan leunen op een meerkoppige fractie. De politiek versnippert, eenmansfracties zijn in opmars: Nederland telt er 672. Dat is ruim 7 procent van alle raadsleden. De expertise is zo dun bezaaid, zegt een raadslid, dat de emotie het soms wint van droge boekhoudkunde. „Voorbeeld: de onuitgesproken verwachting dat de crisis vanzelf overwaait.” Dat leidt tot uitstel van besluiten om de begroting in evenwicht te brengen. „Oude groeiambities worden nagestreefd. Tekorten op de grondexploitatie worden doorgeschoven.”

Raadsleden doen tal van voorstellen voor betere werkomstandigheden. De vergoeding moet omhoog. Dan kan het aantal uren voor de normale baan worden teruggeschroefd. Er moeten meer raadsleden komen, zodat het werk kan worden verdeeld. Meer bijscholing. Niet bezuinigen op de fractieondersteuning en lokale rekenkamer, maar er juist in investeren. Een strengere informatieplicht voor het college. Slimmer vergaderen, niet zo in detail.

Het werk is nog steeds de moeite waard, benadrukken de raadsleden. Ze noemen het „zinvol”, „je leert er veel van”, „doet iets terug voor de maatschappij”.

Niet dat die ‘maatschappij’ die inzet altijd waardeert. Burgers, zo zeggen de raadsleden, hebben steeds meer de neiging om hen vanuit hun eigenbelang aan te spreken. „Inwoners weten je meer dan ooit te vinden”, zegt een raadslid, „er is minder begrip voor het algemeen belang.” Ze zijn „veeleisend”, zegt een ander, „soms op het onredelijke af”.

Van alle raadsleden heeft 15 procent „af en toe” last van verbale agressie. In grote steden bijna 20 procent. Raadsleden doen hier opvallend vaak vergoelijkend over: „het hoort erbij”, „je moet er niet wakker van liggen”, „gelukkig gaat het meestal per post of mail”. Fysieke agressie komt minder vaak voor – 4 procent heeft er weleens last van. Maar elk procentpunt staat hier voor leed: spugende burgers, eiwerpende burgers, een burger die een vrouwelijk raadslid bijna van een metershoge trap duwt.

Stellen de raadsleden zich nog wel verkiesbaar? Ja. Het verantwoordelijkheidsgevoel, het idee dat het zinvol is en de partijloyaliteit overheersen nog; 80 procent stelt zich herkiesbaar. Ondanks de hoge werkdruk. Die is slechts voor 4 procent van de raadsleden reden om te stoppen. Meestal stopt men om „plaats te maken” voor „de nieuwe garde”. Maar die is er lang niet altijd: menig raadslid gaat door, bij gebrek aan opvolging. Dat kan leiden tot schrijnende situaties, zoals bij dit raadslid: „Ik wil het eigenlijk niet, de kiezer wil me eigenlijk ook niet, maar ik wil mijn partij niet in de steek laten dus ga ik maar weer mee in wat de kiescommissie mij vraagt.”