Verenkleur ontstond als bijverschijnsel in evolutie

De veelkleurigheid van vogels en zoogdieren is tijdens de evolutie ontstaan als bijverschijnsel. In Nature opperen Amerikaanse en Chinese paleontologen het „speculatieve idee” dat de pigmentgenen meeveranderden met de toenemende efficiëntie van de stofwisseling, toen vogels en zoogdieren warmbloedig werden.

De auteurs baseren hun idee op een uitgebreide analyse van de evolutie van kleurstoffen in huid, haren en veren. Ze staan bekend om hun onderzoek naar het donkere pigment melanine in uitgestorven dieren. Enkele jaren geleden toonden ze resten van melanine aan in meer dan 100 miljoen jaar oude fossielen, en leidden daaruit kleuren af. Het melanine zit in structuren die op rijstkorrels lijken, zogeheten melanosomen. Ook moderne dieren hebben melanosomen. De vorm van melanosomen – rond of langwerpig – bepaalt of de huid, haren of veren zwart, bruin of grijs zijn.

Maar die relatie tussen melanosoomvorm en kleur bestaat alléén bij zoogdieren, vogels en vogelachtige dino’s, concludeert het team rond Matt Shawkey (University of Akron, Ohio) nu. De melanosomen van zwarte en bruine hagedissen zijn bijvoorbeeld niet van elkaar te onderscheiden.

Dat wijst er wel op dat melanosomen (en dus, wellicht, de melanine-productie en de kleur) in de evolutie twee keer variabel zijn geworden: bij zoogdieren en bij vogels. Die zijn beide warmbloedig, en dat is niet toevallig, denken de auteurs.

Ze verwijzen naar de Zwitserse evolutiebioloog Alexandre Roulin, die al jaren wijst op het verband tussen melanine en stofwisseling. Roulin: „Dat verband bestaat bij uiteenlopende gewervelde dieren, van vissen tot zoogdieren. Dat wijst erop dat het belangrijk is.” Signaalstoffen die de productie van melanine regelen, beïnvloeden ook stressreacties en energiegebruik. Roulin acht een verband tussen melanosomen en warmbloedigheid plausibel. „Maar ik denk niet dat de auteurs er al een precies idee over hebben.”