Terug naar school

Op de schooldeur hing een groot bord: „Zachtjes op de gangen AUB, groep acht maakt vandaag de CITO-toets”. Ik kreeg een plaatsvervangende knoop in mijn maag. Ik had al zo opgezien tegen het schoolbezoek, maar ik moest wel. Mijn zoontje wordt bijna drie. Deze week bezocht ik voor het eerst een informatieochtend van een mogelijke basisschool.

Meteen bij binnenkomst rook ik het weer: mandarijnen, schoonmaakmiddel, gympen, een lichte wc-geur, vingerverf, zweet en koffie. Onwennig nam ik plaats op een houten bankje in de gymzaal. Samen met veertig andere ouders luisterde ik een uur lang naar een powerpointpresentatie over aanmeldingsprocedures, plusklassen, naschoolse opvang en „projectmatig werken”. Ondertussen probeerde ik niet aan mijn eigen basisschooltijd te denken, wat niet lukte. Ik schrok op toen er plotseling rumoer uit de zaal klonk. Het onderwerp ‘ CITO-toets’ werd besproken. Deze toets waar wij, ouders van peuters, pas in de achtste groep mee te maken krijgen. Alsof de leraar zelf een mondeling examen werd afgenomen, werden de vragen op hem afgevuurd: hoe bereidde deze school de leerlingen hierop voor? Wat was de gemiddelde uitslag? Werd er ook met bronnenboekjes geoefend? Bood de school wel extra trainingen?

De onderwijzer deed waar hij goed in was en maande de klas tot stilte. Ik werd bang van alle vragen en niet alleen omdat ik niet wist wat bronnenboekjes waren. Ik vind het überhaupt moeilijk voor te stellen dat dat jongetje dat het liefst achter de kat aan rent of zijn miniatuur-Volkswagenbusje over de stoelleuning laat rijden straks hele dagen achter een bureautje moet zitten, laat staan dat ik me nu al kan bezighouden met zijn eindtoetsresultaten. Maar misschien is dat mijn eigen projectie. Als je tegen mij „basisschool” zegt, doemt in mijn hoofd prompt weer het schrikbeeld op van het groene hoofdrekenschriftje. Als dat werd uitgedeeld, schakelden acuut mijn hersens uit. Vanaf groep 7 werd ik gepest door het populairste meisje uit de klas. Ik werd angstig, stil, was veel alleen en het opvallendste: ik kon ineens niet meer rekenen. Banger nog dan voor dat kind dat de hele klas tegen mij opzette werd ik voor rekentoetsen. En voor de CITO-toets nog het allermeest. Het rekengedeelte daarvan verknalde ik dan ook dusdanig dat mijn score uiteindelijk eigenlijk net te laag was om te passen bij mijn met-de-hakken-over-de-sloot-VWO-advies.

Een jaar later zat ik op het gymnasium, haalde ik nerderig hoge cijfers (ook voor wiskunde), maar belangrijker nog: was ik klassenvertegenwoordiger, schreef ik toneelstukjes waar mensen om moesten lachen en had ik verkering met de populairste jongen van de klas (nooit mee gezoend, wel drie maanden intensief handen mee vastgehouden. Ik was dolgelukkig).

Met mijn CITOscore uit 1995 zou ik tegenwoordig niet eens meer op mijn oude school worden toegelaten. Maar dat betekende niet dat ik op deze ochtend uren wilde horen over de toets die mijn zoon over een decennium gaat maken. Wat ik nu wilde weten was of er schoolbandjes waren die ergens lekker veel herrie konden maken, of er musicals werden opgevoerd waarbij alle kinderen mochten meezingen en of er wel genoeg gevoetbald werd in de pauze. Of er misschien ook sprake was van een Volkswagenbusjesproject en of er eigenlijk wel een pestprotocol was.

Maar dat kwam allemaal niet aan de orde op de informatieochtend, dus sloop ik zachtjes over de gang de school weer uit.