Radeloos schreef men de vorstin: ‘Mag ik scheiden, als het U blieft?’

Afgewezen liefde is de heftigste emotie. Hell has no fury like a woman scorned, dichtte William Congreve in de 18de eeuw. Een wijsheid die ook geldt voor de afgewezen man. De ellende die uit die emotie voortkomt zien we overal. Een op de drie huwelijken eindigt in een scheiding.

Vroeger werd het meeste leed veroorzaakt door het onvermogen te scheiden. Het wordt beschreven in Scheiden doet lijden. 400 jaar echtscheidingsmisère van archivaris en rechthistoricus Paul Brood en Michiel de Wolde. Ondanks het pijnlijke onderwerp is hun boek soms een hilarisch verslag van de geschiedenis van het scheiden.

Scheiden was 400 jaar geleden vrijwel onmogelijk. Wat verbaast is dat dit tot ver in de 20ste eeuw voortduurde – tot 1971 om precies te zijn. Toen werd na jarenlang debatteren en discussiëren de echtscheidingswet aangepast en gemoderniseerd. Sinds 1838 was er tot dat moment amper wat veranderd.

Scheiden kon gewoon niet. Godsdienstige opvattingen bepaalden de burgerlijke wet. Wat door God verbonden was, was onverbreekbaar. Het huwelijk (als sacrament) kon niet ontbonden worden. Ook niet als je man opeens verlamd raakte, al het geld verbraste, je kleineerde. Ook niet als je vrouw een feeks bleek, je niets gunde, geen seks wilde.

De praktijk was zoals altijd rekkelijker dan de wet. Echtparen die overeenkwamen dat samenleven geen zin had, scheidden van tafel en bed. Ze woonden niet meer samen, regelden hun zaken apart, en iedereen wist dat ook. Maar ze bleven getrouwd en dat had allemaal ongelukkige gevolgen. Zo bleven kinderen uit een nieuwe relatie bastaarden.

Helemaal onmogelijk was scheiden in het burgerlijk recht trouwens niet, maar dan moest de reden wel dwingend zijn: overspel, kwaadwillige verlating, mishandeling of langdurige gevangenisstraf. Overspel moest worden bewezen door een getuige, die niet altijd makkelijk te vinden was.

In 1883 oordeelde de Hoge Raad in de zaak van een echtpaar uit Bemmel echter dat een bekentenis van overspel als volledig bewijs gold. Er hoefden geen getuigen meer te zijn. Dat ‘grote leugen’-arrest had fikse gevolgen: als een van de twee echtelieden de schuld op zich nam, of er nu echt overspel was gepleegd of niet, was scheiden haalbaar.

Ideaal was het niet. Men ploeterde nog ruim honderd jaar voort. De maatschappij veranderde, de wet niet. In het boek staan talloze brieven aan de regering en aan de koningin van radeloze burgers.

Het was uiteindelijk minister van Justitie Carel Polak die in 1971 een moderne echtscheidingswet door het parlement kreeg. Om de kleine christelijke partijen mee te krijgen werd er nog wel een ‘rustperiode’ van een half jaar ingelast. Maar scheiden werd mogelijk, zonder ‘grote leugen’.

Iedere tijd zijn eigen drama’s: nu zijn er weer andere problemen. De psychologische gevolgen en trauma’s die een scheiding oplevert, vooral voor kinderen, worden pas recent serieus genomen. Daar gaat het boek niet over, maar voor mensen die een scheiding bijna net zo normaal vinden als een huwelijk, opent het de ogen. Weg willen maar niet weg kunnen, dat is nu onvoorstelbaar. En dat was het grootste deel van de afgelopen vier eeuwen aan de orde van de dag. Dat is de historische sensatie die het boek biedt.