Opinie

Privacy in de Playboy

Snel het blad op de kassaband gelegd, daarbovenop een Vrij Nederland. De bonuskaart is al een aanslag op je privacy, maar enger is je eigen boodschappen open en bloot te moeten uitstallen. Bliep, bliep, doet de caissière. Achter me de rij. Wat denken ze? „Meneer gaat zich zo verlekkeren aan een geopolitieke analyse van Ko Colijn”? Nee, eerder: „Eenzame Valentijn.” Sociologen die de grote stad beschrijven als oord waar ieder zich anoniem voelt, hebben nooit een Playboy gekocht in hun eigen wijk. („Koop dat blad dan ook digitaal”, zegt u? Maar digitaal gluurt juist de hele wereld mee.)

Goed. Nu ben ik thuis met mijn Playboy voor me. Het is niet wat je denkt.

Op de cover, naast de borsten, staat: „Privacy is dood.” Het gluurblad bevat een zes pagina’s tellend essay over privacy: „Playboy’s roep om revolutie.” Over Snowden, Orwell, Klöpping. Het bekende verhaal: online wordt alles gevolgd. „Ja, ook als je op pornosites surft naar wurgseks met Japanse lilliputters.” Gelukkig is er nog papier. Maar dat is niet mijn punt.

Wel dit: als privacy zo prominent op de Playboy staat, is de onverschilligheid over dit thema definitief passé. Privacy is eindelijk sexy. Dat komt denk ik door Snowden: even belangrijk als zijn onthullingen zelf, is hoe hij privacy cool maakte.

Symbolisch voor die generatie is het Nederlandse voormalig naaktmodel, nu privacy-activiste Ancilla Tilia (28). De ex-gymnasiaste kent de dossiers, kan goed schrijven en heeft ruim 24.000 Twittervolgers. Woensdag presenteerde ze zichzelf als kandidaat voor de Piratenpartij Amsterdam.

Geen groter contrast dan met Ivo Opstelten bij PowNews, deze week. Verslaggever Jan Roos vroeg hem naar de ScanEagle, een defensiedrone die Opstelten wil inzetten voor politietaken. Opstelten: „De ScanEagle? Ik ken die naam niet.” De kolderieke context nam het zicht wat weg op de verbijsterende leegte in dit antwoord van de minister die liefst iedere burger wil uitkleden als onvrijwillig naaktmodel – en ermee weg denkt te komen. (Volgens experts is deze drone, anders dan Opstelten zei, geschikt voor gezichtsherkenning. Als dat klopt, is het exit Opstelten.)

Even schokkend was het debat over Plasterk, dinsdag. Schokkend, want traditioneel Haags: over poppetjes, niet over inhoud. Daar wezen onderzoeksjournalisten @brenno en @mauritsmartijn al op, en woensdag volgde The Economist („Who’s watching? The NSA and the Netherlands”).

Alsof de inhoud niet sexy is. Nederland heeft via het Friese afluisterstation 1,8 miljoen telefoontjes onderschept uit landen als Afghanistan en Somalië (in één maand, mind you). We delen die metadata met de VS. Wat er met zulke telefoongegevens gebeurt, schreef de nieuwe krant The Intercept, van Glenn Greenwald. De VS gebruiken locatiegegevens om met drones terreurverdachten op afstand te executeren. Echter, soms leent de verdachte zijn telefoon uit aan een neefje.

Wie doet de wiskunde? Ik ben maar een columnist, en één plus één is niet altijd twee – zie Plasterk. Maar (1) we geven onze telefoondata aan de Amerikanen en (2) de Amerikanen baseren hun droneaanvallen op telefoondata. Kamervraag, gratis over te nemen: zijn onze data gebruikt om terroristen te doden en vielen daar burgerslachtoffers bij?

Just asking, in de maand waarin privacy playmate is.