Plasterk moet juist veel gaan praten

Hij heeft beloofd voortaan te zullen zwijgen over de inlichtingendienst. Maar dat is nu juist wat Plasterk niet moet doen, meent Bob de Graaff.

In de inlichtingenwereld leidt een overreactie op falen nogal eens tot een nieuwe fout. Na de aanslagen van ‘9/11’, mede te wijten aan de diverse inlichtingen- en veiligheidsdiensten die hun informatie te veel hadden gecompartimenteerd, werd het need to know-principe vervangen door de obligation to share. Met als gevolg massale lekken via relatief laag in de pikorde staande figuren als Bradley/Chelsea Manning en Edward Snowden.

In het Nederlandse inlichtingenbestel dreigt na het debacle van minister Plasterk eveneens een verkeerde conclusie te worden getrokken. De minister zegt te hebben geleerd dat hij voortaan maar beter zoveel mogelijk zijn mond kan houden over de AIVD, en daar zal de Kamer hem wel aan houden. Dit is echter ongezond, zowel voor de AIVD als voor de Nederlandse democratie.

De inlichtingenwereld staat voor een aantal fundamentele uitdagingen waarover binnen de diensten zelf, maar ook binnen de Nederlandse politiek en samenleving, een stevig debat moet worden gevoerd. Een korte, onvolledige inventarisatie levert de volgende discussiepunten op.

De inlichtingenwereld maakt een ontwikkeling door van bean counting naar duiding. Volstond aan het eind van de Koude Oorlog het tellen van SS-20-raketten en hun kernkoppen of het in kaart brengen van het nieuwste type Sovjetonderzeeër, tegenwoordig willen we weten wie bijvoorbeeld de tegenstander is tegen wie we in Afghanistan vechten. Zijn het verzetsstrijders, religieuze fanatici, warlords, opiumbazen of is het de Pakistaanse geheime dienst? De duiding bepaalt het beleid. Daarmee houdt de taak van inlichtingendiensten niet langer op met het inleveren van hun analyse bij de besluitvormers, maar moeten zij gezamenlijk aan tafel over het te voeren beleid.

Maar de samenleving is er nog onvoldoende op voorbereid dat de diensten de rol van mede-beleidsbepaler gaan vervullen. Wat kunnen de diensten doen om de vaak overspannen verwachtingen van publiek en politiek in goede banen te leiden? Ze zouden duidelijk moeten maken dat ze slechts een bijdrage kunnen leveren aan onzekerheidsmanagement; aan het feit dat zelfs terugdringing van de onzekerheid al moeilijk is, laat staan dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten het kwaad kunnen uitroeien.

Hoe wordt zo’n bescheidener opstelling gewaardeerd? Om zich snel genoeg aan te passen aan dreigingen als het telkens van vorm en theater veranderende islamisme of snel muterende cyberdreigingen, moeten inlichtingen- en veiligheidsdiensten lerende organisaties worden. Politiek, media en bevolking zullen moeten accepteren dat de diensten experimenteren en fouten maken tijdens het leerproces.

Belangrijke vraag is dan wel wat de rechtsstatelijke gevolgen zijn als inlichtingen- en veiligheidsdiensten minder hiërarchisch georganiseerd zijn en zelf meer netwerkgeoriënteerd opereren. De vraag is ook of de diensten erin slagen hun oorspronkelijke early warning-functie te blijven vervullen. Of laten zij zich door politiek en publiek dwingen de laatste aanslag te voorkomen en daarom achterom te kijken? Ooit hadden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een bijna-monopolie op intelligence. Nu is het zaak adequaat om te gaan met een samenleving waarin zo langzamerhand bijna iedereen aan inlichtingenvergaring en -analyse doet.

Als inlichtingendiensten zich gaan bezighouden met nieuwe dreigingen zoals de georganiseerde misdaad, pandemieën en de gevolgen van klimaatverandering, dan kunnen en mogen ze geen gesloten bolwerken blijven. Ze zullen strategische allianties moeten aangaan met bijvoorbeeld de politie, het RIVM of het KNMI. In dat geval zullen die instellingen zich terdege moeten voorbereiden op zo’n verbond.

Het onderscheid tussen geheim en openbaar is steeds moeilijker te managen. We bewegen ons in de richting van een samenleving waarin (bijna) geen geheimen meer bestaan. Wat is dan de functie van de van oorsprong geheime diensten? Zal intelligence een bijdrage leveren aan een strategie gericht op een definitieve overwinning, zoals tijdens de Koude Oorlog, of zijn uitsluitend tijdelijke tactische succesjes mogelijk, zoals bij inlichtingen voor drone-oorlogvoering?

Nog enkele prangende vragen: is het nog mogelijk grenzen te stellen aan de technische middelen die diensten inzetten? Of moeten ze technologisch alles kunnen wat denkbaar is, omdat ze ‘anders op achterstand raken’? En wat als het straks technologisch mogelijk wordt om in het brein van mensen te kijken? Moet dat dan ook maar kunnen? Of gebeurt dat uitsluitend in totalitaire staten? Hoe gaat een inlichtingen- of veiligheidsdienst om met geautomatiseerde processen waarin nog maar weinigen weten of snappen wat de oorspronkelijke algoritmen zijn waarop de besluitvorming is gebaseerd (‘u bent een staatsvijand omdat het systeem het zegt: nee dat kunnen wij niet voor u veranderen’)?

We zullen een balans moeten krijgen van internationale samenwerking van inlichtingendiensten en nationale soevereiniteit. De commissie-Davids drong er na het Irak-onderzoek op aan dat de Nederlandse diensten niet afhankelijk zouden zijn van buitenlandse. Maar alleen al het kostenaspect dwingt tot internationale samenwerking. Duidelijk mag zijn dat er heel veel inlichtingenzaken zijn waarover de verantwoordelijke bewindspersoon de discussie moet voeren. Doodzwijgen is doodgaan.