Manet en Bourdieu: samen tegen de ‘heersende’ kerk

In zijn boek over Manet laat de socioloog Pierre Bourdieu zien hoe de Franse schilder een ‘symbolische revolutie’ ontketende.

‘Le déjeuner sur l’herbe’ (208 bij 264 cm) van Edouard Manet (1832-1883)
‘Le déjeuner sur l’herbe’ (208 bij 264 cm) van Edouard Manet (1832-1883)

Wat is een symbolische revolutie? Volgens de Franse socioloog Pierre Bourdieu bracht de schilder Édouard Manet er een tot stand: zijn doeken, in het bijzonder het schandaal verwekkende Le déjeuner sur l’herbe (1863), zette een omwenteling in beweging die zich niet beperkte tot de schilderkunst – een hele manier van denken en doen, van kijken en beleven, werd erdoor ongeldig verklaard.

Juist omdat die revolutie slaagde, zegt de Franse socioloog Pierre Bourdieu, is het voor ons moeilijk hem voor te stellen. Voor ons is Manets Déjeuner zo vanzelfsprekend, zo familiair, zo onderwerp van parodie en koekblik, dat we ons het revolutionaire karakter niet meer kunnen voorstellen. Het zijn de historicus en de criticus die deze revolutie moeten reconstrueren – niet door zich enkel bezig te houden met de formele aspecten van Manets werk, maar door hem te zo precies mogelijk te plaatsen in de samenleving waarin zijn werk voor zoveel ophef zorgde.

Bourdieu (1930-2002) was geobsedeerd door Manet. In de jaren tachtig werkte hij samen met zijn vrouw Marie-Claire aan een boek over de schilder. Aan het eind van zijn leven gaf hij twee jaar lang college over diens werk aan het Collège de France in Parijs, waar hij hoogleraar was. Het onafgemaakte manuscript van dat boek en een transcriptie van die hoorcolleges zijn nu verzameld en in een zorgvuldig bezorgd boek van een kleine achthonderd pagina’s.

Het is een wonderlijk, fascinerend werk. De lezer zit in de collegebank en hoort een andere Bourdieu dan in zijn gepubliceerde werk – losjes, grappig, zoekend, bijtend, twijfelend. Tijdens zijn colleges gaat hij in op brieven die hij van toehoorders heeft gekregen, verliest hij zich in kritische terzijdes, speculeert hij voorzichtig over zaken waar hij zich naar eigen zeggen nog niet genoeg in verdiept heeft. Regelmatig komt hij terug op eerdere uitspraken, voegt toe, herneemt, nuanceert. Dat is vaak omslachtig en het maakt Bourdieu’s Manet tot een boek met een reusachtig waterhoofd, maar ik vind het opwindend – dit is denken, tasten naar betekenis, altijd bedacht op de fatale verleiding van het simpele patroon, de hapklare reductie.

Verdrinking

Daartegenover staat de angst voor verdrinking. Enkele malen twijfelt Bourdieu openlijk aan de haalbaarheid van zijn onderneming – is zo’n nauwgezette reconstructie van de wereld van Manet in al zijn psychologische, sociologische en economisch aspecten geen oneindige exercitie?

De socioloog moet niets hebben van de reguliere kunstkritiek, die volgens hem het kunstwerk reduceert tot een aantal invloeden en kunst lijkt te zien als een probleem dat kan worden opgelost door te achterhalen wat de maker nu precies bedoeld heeft. Zulke kritiek noemt hij laatdunkend scholastiek, omdat ze zich enkel bezighoudt met het achterhalen van bronnen en verwijzingen. Ook verzet Bourdieu zich, nogal verrassend, tegen kunstcritici die het werk van Manet zien als de onvermijdelijke uitkomst van sociale processen – ongetwijfeld zijn de maatschappelijke omstandigheden waarin Manet werkte van grote invloed op zijn werk geweest, maar het verklaart zijn werk niet. De kunstenaar staat niet los van zijn tijd, maar hij is er ook niet enkel het product van.

De symbolische revolutie die Manet ontketende was, volgens Bourdieu, typisch Frans. Anders dan bijvoorbeeld in Engeland, was de schilderkunst in Frankrijk een zaak van de staat. Door middel van instituten als de Académie des Beaux-Arts en de jaarlijkse Salon werd bepaald wat geaccepteerd werd en wat niet. Wie geweigerd werd voor de Salon, zoals Cézanne keer op keer overkwam, gold als mislukt. De doeken die in de smaak vielen, bevestigden een vaststaand, geriefelijk wereldbeeld – meestal theatrale scènes die zich in een andere tijd afspeelden, of op een exotische locatie, en die technisch op een opzichtige manier volmaakt waren uitgevoerd.

Met zijn Déjeuner ging Manet in tegen al deze conventies – de mannen en vrouwen op zijn schilderijen waren schokkend hedendaags, de naakte vrouw was brutaal realistisch, het ‘verhaal’ was volkomen onduidelijk en technisch klopte er niets van. De woede die het doek losmaakte, de hoon waarmee Manet werd overladen, de eindeloze polemieken die het veroorzaakte, zijn alleen te verklaren, stelt Bourdieu, wanneer je beseft dat Manet een heel geloofsysteem uitdaagde, behalve een opvatting over kunst, werden ethische en politieke overtuigingen in twijfel getrokken. In die zin zijn Bourdieus colleges vooral een case-study. Manet gaat over veel meer dan over Manet.

Volgens de Franse socioloog zijn veel van onze opvattingen gebaseerd op geloof – in de religieuze betekenis. Wanneer dat geloof wordt aangetast – door sociaal-economische en technologische ontwikkelingen – ontstaat wat hij een ‘veld’ noemt; wat eerst een gesloten geloofssysteem was, met een kerk, priesters en gelovigen, bevindt zich dan ineens op een (slag)veld waar verschillende opvattingen met elkaar in botsing komen. Wat vanzelfsprekend was, is dat niet langer – waardoor het geloof gemakkelijk aan het wankelen wordt gebracht. Wat niet wil zeggen dat het zomaar verdwijnt. Het Franse, negentiende-eeuwse idee van staatskunst is weliswaar door Manet en de Impressionisten (met wie hij overigens weinig gemeen had) omver geworpen, dat wil niet zeggen dat de achterliggende structuren en opvattingen blijvend veranderd zijn.

Sociale positie

Integendeel, in zijn colleges over Manet laat Bourdieu keer op keer doorschemeren dat hij zich met de schilder vereenzelvigt. Ook Bourdieu ziet zichzelf als iemand die een symbolische revolutie ontketent tegen een heersende ‘kerk’, een revolutie die afrekent met het marxistische idee van een boven- en onderbouw en daarvoor zijn veldentheorie in plaats stelt. Ook het idee van de objectieve, waardenvrije blik wordt door hem verworpen. Een mens handelt altijd vanuit een bepaalde sociale positie, of ‘dispositie’ zoals Bourdieu het noemt; de aangeboren neiging van vooral wetenschappers om zichzelf een objectieve blik toe te dichten, ziet hij als een kwalijke misvatting.

Je kunt zijn werk – en zijn Manet – kun je lezen als een formidabele samenvatting van dat werk – zien als een nieuwe blik op de mens als sociaal wezen; de blik van een mens op zichzelf en zijn omgeving wordt grotendeels bepaald door zijn ‘habitus’, de opvattingen en zienswijzen uit de omgeving die hem gevormd heeft. Maatschappelijke veranderingen zijn alleen mogelijk wanneer men zich daarvan bewust wordt, wanneer een mens zich rekenschap geeft van zijn dispositie.

Dat gedachtegoed is bepaald niet modieus of achterhaald, zij het dat er een biologische component is bijgekomen. Neurologische studies lijken Bourdieus idee te onderschrijven dat onze ‘habitus’ bepalend is voor onze maatschappelijke houding en overtuigingen. Weinig van wat we vinden is rationeel, het meeste wordt bepaald door aannames die je het beste als ‘geloof’ kunt omschrijven.

Een goed voorbeeld lijkt met afkalvende draagvlak voor de Europese eenwordingsgedachte. Ook hier is sprake van een geloofscrisis. Wat eerst als een praktische onomstreden corpus van opvattingen gold, wordt nu uitgedaagd op een ‘veld’ van tegengestelde zienswijzen. Dat dit besef bij de zogenaamde Eurofielen nauwelijks lijkt doorgedrongen, laat zien dat de symbolische revolutie van Bourdieu nog lang niet voltooid is.