Opinie

Feestbanket tijdens de grote catastrofe

Toen Bill Clinton president was, en hij een seksschandaal moest zien te overleven en tegelijk een oorlog moest voeren, dook in de Amerikaanse pers steeds het woord ‘compartimentalisering’ op. Clinton was daar een meester in, luidde het verhaal. Hij maakte zich natuurlijk wel zorgen over de afzettingsprocedure die tegen hem was aangespannen vanwege zijn verhouding met stagiaire Monica Lewinsky. Maar in zijn hoofd kon hij die kwestie als het ware opbergen in een kamertje, waarvan hij de deur achter zich dicht trok zodra hij zich moest concentreren op de oorlog in Kosovo.

Vermoedelijk is het voor alle politici op dat niveau een onontbeerlijk psychologisch defensiemechanisme, of ze nu in een seksschandaal verwikkeld zijn of niet. Om ’s nachts nog een oog dicht te kunnen doen, om ook nog eens nog te kunnen lachen, moet je de oorlogen en rampen en risico’s soms even in een kamertje wegstoppen. Burgeroorlog in land X? Hongersnood in Y? Terreurdreiging in Z? Heel erg allemaal, maar nu even niet. Morgen verder.

Hoe begrijpelijk dit als overlevingsstrategie mag zijn, het kan soms ook aanstootgevend zijn. Vooral als de deur naar het kamertje met dood en verderf in het openbaar wordt dichtgetrokken – niet om privé even op adem te komen, maar om voor het oog van de camera’s opgewekt een feestzaal binnen te stappen.

Hoogtepunt van het staatsbezoek dat François Hollande deze week aan de Verenigde Staten bracht, was het banket in het Witte Huis. De gastenlijst was indrukwekkend. Behalve politici waren er film- en tv-sterren, hoge militairen en prominenten uit sport, bedrijfsleven en de journalistiek. De twee presidenten hielden elk een toespraak, waarin ze wat grapjes maakten en de vrijheidsliefde prezen die hun landen met elkaar verbindt. De Amerikaanse media raakten er niet over uitgepraat dat Hollande door de scheiding van zijn vriendin Valérie Trierweiler alleen was gekomen. Maar verder was het een banket uit het boekje. De catastrofe die zich in Syrië voltrekt wierp geen grotere schaduw over het diner dan de afwezigheid van een Première Dame.

Nu hoeven de kleurrijkste rituelen van de internationale diplomatie niet opeens verboden te worden als ergens een oorlog woedt. Daar zou ook niemand wat mee opschieten. Maar het geweld, de verwoesting en de uitzichtloosheid in Syrië zijn zó enorm, dat je het gerust het grote drama van deze tijd kan noemen. Voor heel wat minder is Amerika een decennium lang van slag geweest. De 130.000 doden, de steden die kapot zijn geschoten, de burgers die worden bestookt en uitgehongerd, de martelingen, de verdwijningen, de miljoenen die op de vlucht zijn, de 250.000 mensen die helemaal van de buitenwereld zijn afgesloten en dus geen voedselhulp of medicijnen kunnen krijgen... Als je dat allemaal met blijkbaar gemak even terzijde schuift voor een avondje in het lang, dan wek je de indruk dat het eigenlijk jouw zaak niet is.

En dat is het wel. Van Obama, van Hollande en van ons. In 2005 onderschreven alle staatshoofden en regeringsleiders op een VN-top in New York het beginsel van ‘de verantwoordelijkheid om te beschermen’, de responsibility to protect: als een regering zélf de veiligheid van haar bevolking niet kan of wil garanderen, dan is het de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap om voor die bescherming te zorgen. Sindsdien is wel gebleken dat de wereld die verantwoordelijk vaak niet aankan. Maar dat is nog geen reden om het maar op te geven – en het probleem weg te stoppen in een kamertje. Doet de wereld echt alles wat ze kan? Op het banket in het Witte Huis werd herinnerd aan de hartverwarmende reactie van Le Monde op op 9/11: ‘We zijn allemaal Amerikanen. Maar wie zegt nu: We zijn allemaal Syriërs?’