Eigen schuld, dikke bult

Zal ik een sigaretje nemen? vroeg iemand. En ik zei: „Hè ja, gezellig”. Op een dag krijgt die persoon misschien longkanker. Dan zeg ik ineens : „Dat is vreselijk, maar hij heeft ook wel veel gerookt”. „Ik heb het helemaal aan mezelf te danken,” zeggen verschillende van de longkankerpatiënten die door Frans Bromet op video geportretteerd zijn op verzoek van longartsen Wanda de Kanter en Pauline Dekker (TabakNee.nl).

Nieuwsuur bracht een poosje geleden cijfers: per jaar sterven ruim tienduizend mensen aan longkanker, meer dan alle doden aan borstkanker, darmkanker en prostaatkanker bij elkaar.

Toch is het geld dat het Kanker Fonds voor longkankeronderzoek toekent (twaalf miljoen euro) maar een fractie van wat er naar borstkankeronderzoek gaat (vijftig miljoen euro).

Er kwamen in de uitzending artsen aan het woord die vertelden dat mensen er liever niet over spreken als ze longkanker hebben, omdat hun omgeving denkt en zelfs zegt: eigen schuld. Had je maar niet moeten roken. Slechts achttien procent van de longkanker gevallen betreft niet-rokers.

Het is nogal menselijk om als iemand aan iets sterft, direct te bedenken waarom dat jou niet zou kunnen treffen. „Ik rook niet (meer), dus…” Zo geven we ook slachtoffers van ongelukken of misdaden graag de schuld: had ze maar niet in het donker, had-ie maar geen reis door Irak, wie gaat er nu ook in zo’n gammele auto, enzovoort. Alles om onszelf denkmatig te behoeden voor ongeluk. De anderen gaan dood. U misschien. Ik niet.

We weten best dat dat onredelijk is.

Maar met roken is er toch iets in je wat verontwaardigd zegt: „Onrédelijk?! Weten ze dan nóg niet dat roken dó-de-lijk is!”

Jawel, zegt één van de patiënten die Bromet portretteerde. Dat weet je wel. Maar ja, de mens is toch nieuwsgierig hè. Een ander vertelde dat haar opa 93 was geworden, rokend en wel, dus ze dacht: Nu ja. Dat doe ik ook zo. Een derde zei vroeger altijd zorgeloos: Ach, ik moet toch ergens aan doodgaan…

Susan Sontag schreef destijds in haar essay Ilness as metaphor (1977) over de beeldvorming rond ziektes. Tbc, tot aan de Tweede Wereldoorlog de voornaamste dodelijke ziekte in de westerse wereld, werd in de literatuur of de opera vaak geromantiseerd: bleke vrouwen met rode blosjes die hoestten en dan heel mooi en heel tragisch stierven.

Met kanker is dat anders, schrijft Sontag, kanker is niet ‘mooi’. In 1977 werd er überhaupt bij voorkeur niet over gesproken, nu wel maar dan in termen van oorlog: we moeten ‘strijden’ tegen kanker en de kanker ‘overwinnen. Of we moeten ertegen ‘opstaan’, alsof kanker een dictator is die wij met protesten en roze lintjes gaan verdrijven. Voor longkankerpatiënten worden geen roze lintjes verkocht. Er zijn dan ook niet veel ‘overwinnaars’.

Er is geen kankervorm waar we minder graag over praten en minder mee van doen willen hebben. Wie het heeft, praat gemakkelijker over de uitzaaiingen in de hersenen dan over die longen. Want die horen bij het pakket ‘eigen schuld’. Is het dan niet iemands eigen schuld als hij of zij rookt? Artsen zeggen nogal eens van niet. Roken is verslavend en de wereld is ingericht op roken, zelfs nu de tabaksreclame aan banden gelegd is en de cafés rookvrij zijn gemaakt. De overheid die het roken ontmoedigt, wil er anderzijds ook best een centje aan verdienen – de inkomsten van de tabaksaccijns zijn hoog en die gaan beslist niet allemaal naar longkankeronderzoek.

We hoeven natuurlijk niet alleen naar de overheid te kijken. We zijn er zelf ook nog. Denken we. Sinds ik vaker iets lees over marketingstrategieën van grote bedrijven, geloof ik daar minder in. Ik bedoel: we zijn er zelf ook wel, maar we hoeven ons niets te verbeelden over onze onafhankelijkheid. Er wordt veel geld gestoken in onderzoek naar onze verleidbaarheden. Als industrieën ons verslaafd kunnen maken, zullen ze het niet laten. En met roken gaat dat goed. Uitstekend zelfs. Desalniettemin zijn we er zelf ook nog. En zeggen we gemakkelijk tegen elkaar dat rokers ‘gezellig’ zijn. Niemand heeft heroïne ooit gezellig gevonden, maar drinken en roken, dat is leuk. Tot je er dood aan gaat, dan is het je eigen schuld.